Het OCMW van Namen trekt de geschorste keukenopdracht in en gunt opnieuw aan Sabemaf: GBM krijgt geen arrest ten gronde, wel zijn kosten — maar de rechtsplegingsvergoeding blijft beperkt tot het basisbedrag van 770 euro
Nadat de Raad van State op 23 juli 2021 bij uiterst dringende noodzakelijkheid de beslissing had geschorst waarbij het OCMW van Namen GBM wegens ongeschikte referenties niet selecteerde en perceel 1 (keukenuitrusting) van een nieuw woonzorgcentrum in Erpent aan Sabemaf gunde, trok het OCMW die beslissing op 26 augustus 2021 in en gunde het de opdracht op 30 september 2021 opnieuw aan Sabemaf zonder dat iemand dat aanvocht; het annulatieberoep van GBM werd daardoor zonder voorwerp, het OCMW draagt als verkapt vernietigde partij de kosten, maar de gevraagde rechtsplegingsvergoeding van 840 euro werd tot het geïndexeerde basisbedrag van 770 euro herleid.
Wat gebeurde er?
Het OCMW van Namen bouwde een nieuw woonzorgcentrum aan de avenue du Bois Williame in Erpent en schreef voor de inrichting van de centrale keuken een opdracht voor werken uit, met als perceel 1 de keukenuitrusting. Bij beslissing van 27 mei 2021 selecteerde het de offerte van de NV G.B.M. niet, omdat de voorgelegde referenties niet conform zouden zijn, en gunde het perceel 1 aan de NV Sabemaf. GBM vocht die beslissing aan bij uiterst dringende noodzakelijkheid en kreeg gelijk: bij arrest nr. 251.299 van 23 juli 2021 schorste de Raad van State de tenuitvoerlegging. Dezelfde dag diende GBM een annulatieberoep in. Het OCMW trok de bestreden beslissing daarop in bij beslissing van 26 augustus 2021 en nam op 30 september 2021 een nieuwe gunningsbeslissing, opnieuw ten gunste van Sabemaf; beide beslissingen werden bij de memorie van antwoord gevoegd. Tegen de nieuwe gunning werd geen enkel beroep ingesteld. De Raad leidde daaruit af dat de intrekking definitief was geworden en dat het beroep zijn voorwerp had verloren. De zaak werd zonder zitting afgehandeld op basis van het verslag van auditeur Muriel Vanderhelst; geen partij vroeg een terechtzitting. Over de kosten paste de Raad zijn vaste regel toe: het verdwijnen van de bestreden akte door intrekking is een verkapte vernietiging, zodat het OCMW als de in het ongelijk gestelde partij geldt in de zin van artikel 30/1 van de gecoördineerde wetten. GBM vorderde een rechtsplegingsvergoeding van 840 euro. De Raad willigde dat verzoek in, maar beperkte het tot het basisbedrag zoals geïndexeerd door het ministerieel besluit van 22 juni 2022, namelijk 770 euro. Hij hief de schorsing van arrest nr. 251.299 op en legde de rolrechten van 400 euro en de bijdragen van 40 euro ten laste van het OCMW.
Waarom doet dit ertoe?
Dit arrest toont een variant van het intrekkingsscenario die voor inschrijvers minder comfortabel is dan ze lijkt. GBM won de schorsing, het OCMW trok in — en gunde vervolgens opnieuw aan dezelfde concurrent. Omdat GBM die tweede gunning niet aanvocht, werd de intrekking definitief en verloor het eerste beroep zijn voorwerp. Het praktische resultaat is dus niet dat GBM de opdracht kreeg, maar dat het OCMW zijn procedure heeft overgedaan en de rekening van de eerste ronde betaalt. Wie na een geslaagde schorsing een tweede gunning aan dezelfde partij ziet verschijnen, moet dus opnieuw beslissen: aanvechten binnen de termijn, of berusten. Het tweede aandachtspunt is het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding. GBM vroeg 840 euro; de Raad kende 770 euro toe, het basisbedrag na de indexering van juni 2022. Een hoger bedrag vereist een gemotiveerd verzoek op basis van de complexiteit van de zaak of andere criteria van artikel 67 van het Regentsbesluit — en in een zaak die zonder zitting en zonder inhoudelijk debat eindigt, is daar weinig ruimte voor. De les over de kostenregeling blijft intact: de intrekking is een verkapte vernietiging, en de aanbesteder betaalt. Maar het arrest herinnert eraan dat die vergoeding een forfait is, geen vergoeding van de werkelijke advocatenkosten.
De les
Voor inschrijvers: een gewonnen schorsing gevolgd door een intrekking is een tussenstand, geen eindstand. Volg de nieuwe gunningsbeslissing op de voet en beslis binnen de termijn of u ze aanvecht; berust u, dan wordt de intrekking definitief en eindigt uw eerste beroep zonder inhoudelijk oordeel. Vorder uw rechtsplegingsvergoeding, maar weet dat u zonder motivering het basisbedrag krijgt — in 2022 770 euro — en niet het hogere bedrag dat u misschien vraagt. Voor aanbesteders: na een schorsing intrekken en de gunning herdoen is een legitieme uitweg, ook als de uitkomst dezelfde begunstigde is, op voorwaarde dat het gebrek dat tot de schorsing leidde effectief wordt weggewerkt. De kosten van de eerste ronde (rolrecht, bijdrage, rechtsplegingsvergoeding) blijven wel voor u.
Te onthouden
- Intrekking na schorsing, gevolgd door een niet-aangevochten nieuwe gunning aan dezelfde begunstigde: de intrekking is definitief en het eerste beroep is zonder voorwerp.
- Het OCMW geldt als de in het ongelijk gestelde partij (art. 30/1 gecoördineerde wetten) en draagt de rolrechten (400 euro), de bijdragen (40 euro) en de rechtsplegingsvergoeding.
- De gevraagde rechtsplegingsvergoeding van 840 euro werd herleid tot het geïndexeerde basisbedrag van 770 euro (MB van 22 juni 2022).
- De UDN-schorsing van arrest nr. 251.299 van 23 juli 2021 werd opgeheven.
- Het gebrek dat tot de schorsing leidde — de niet-selectie van GBM wegens de referenties — is niet ten gronde beoordeeld.
Waarop letten
- De tweede gunningsbeslissing (30 september 2021) is een afzonderlijk aanvechtbare akte met een eigen beroepstermijn.
- Een rechtsplegingsvergoeding boven het basisbedrag vereist een gemotiveerd verzoek; zonder motivering geldt het basisbedrag.
- Zelfde dag, zelfde voorzitter: arresten nrs. 255.091 en 255.092 passen dezelfde kostenregel toe.
Stel jezelf de vraag
Weet u dat een nieuwe gunning aan dezelfde begunstigde na intrekking een nieuwe beroepstermijn opent — en dat berusting de intrekking definitief maakt? Motiveert u een verzoek om een hogere rechtsplegingsvergoeding dan het basisbedrag, of vraagt u gewoon een cijfer? Als aanbesteder: hebt u bij het overdoen van de gunning het gebrek uit het schorsingsarrest (hier de beoordeling van de referenties) daadwerkelijk rechtgezet, zodat de tweede beslissing standhoudt?
Gerelateerde arresten
Over deze databank
De Raad van State is het hoogste administratieve rechtscollege in België. Bij geschillen over overheidsopdrachten — van de gunning van een contract tot de uitsluiting van een inschrijver — is het de Raad van State die in laatste instantie oordeelt. De arresten in deze databank zijn door TenderWolf samengevat in begrijpelijke taal, met concrete lessen voor inschrijvers en aanbestedende overheden. Bekijk alle arresten →