Een zonnepark op gemeentegrond is nog geen overheidsopdracht: WPD Benelux strandt op de urgentievoorwaarde die ze dacht niet te moeten bewijzen
WPD Benelux vocht bij uiterst dringende noodzakelijkheid de beslissing aan waarbij de gemeente Les Bons Villers haar offerte voor een agrivoltaïsch project op 6,2 hectare gemeentegrond onregelmatig verklaarde en het project aan haar enige concurrent toewees, maar de Raad van State oordeelde prima facie dat de toekenning van een opstalrecht van 25 jaar noch een overheidsopdracht noch een concessie is, zodat niet het soepele schorsingsregime van de wet van 17 juni 2013 gold maar artikel 17 van de RvS-wet — en aan die urgentievoorwaarde, die WPD meende niet te moeten bewijzen, was niet voldaan.
Wat gebeurde er?
De gemeente Les Bons Villers, eigenaar van twee percelen van samen ongeveer 6,2 hectare te Frasnes-lez-Gosselies nabij de N5, lanceerde een ‘appel à candidats’ voor de studie, realisatie en exploitatie van een agrivoltaïsch project: zonnepanelen combineren met duurzame landbouw en biodiversiteit, juridisch vormgegeven via een opstalrecht van 25 jaar. WPD Benelux diende een offerte in met een jaarlijkse vergoeding van 20.000 euro — in haar projectvoorstelling toegelicht als 4.000 euro per geïnstalleerde MW voor een geraamd vermogen van 4,7 MWc — ofwel 500.000 euro over de hele looptijd. Bij brief van 18 oktober 2022, door WPD ontvangen op 20 oktober, liet de gemeente weten dat de offerte weliswaar aan alle minimale technische voorschriften voldeed, maar onregelmatig was omdat die toelichting een voorbehoud zou inhouden dat de vergelijking van de vergoedingen onmogelijk maakte; het project ging naar de enige andere kandidaat, blijkens het dossier de NV Ether Energy. WPD protesteerde nog dezelfde dag telefonisch en per e-mail — de vergoeding was wel degelijk een vast bedrag — maar kreeg geen schriftelijk antwoord. Op 4 november 2022, vijftien dagen later, volgde een beroep tot nietigverklaring met een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Op de zitting van 23 november moest de Raad eerst het toepasselijke regime bepalen. Prima facie is de verrichting geen overheidsopdracht: de gemeente verwerft geen prestaties voor haar eigen economische behoeften — de operator beheert installaties en terrein net autonoom en onafhankelijk. Een concessie is het evenmin: er wordt geen dienst aan gebruikers geëxternaliseerd, en het gemeentelijk belang bij groene energie maakt dat niet anders. Het soepele artikel 15 van de wet van 17 juni 2013, dat schorsing zonder urgentiebewijs toelaat, was dus niet van toepassing; WPD viel terug op artikel 17 van de gecoördineerde wetten, waar de verzoeker de urgentie moet aantonen in of bij zijn verzoekschrift. Precies daar liep het mis: WPD had in haar verzoekschrift uitdrukkelijk gesteld dat ze ‘de specifieke elementen van de urgentie’ niet hoefde te bewijzen, en de onder de titel ‘ontvankelijkheid’ aangevoerde nadelen — verlies van winst en van ervaring in een nichemarkt — bleven onbewezen. De vordering werd op 8 december 2022 verworpen door waarnemend voorzitter David De Roy, op eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd Christian Amelynck. De beide offertes blijven op vraag van de gemeente voorlopig vertrouwelijk wegens het zakengeheim; de kosten, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, werden aangehouden.
Waarom doet dit ertoe?
De kwalificatievraag is hier geen academische kwestie maar het scharnier waarop de hele zaak draait. Binnen het toepassingsgebied van de wet van 17 juni 2013 kan een afgewezen inschrijver de schorsing verkrijgen ‘zonder dat het bewijs van de urgentie moet worden geleverd’; daarbuiten geldt het gemene recht van artikel 17 van de RvS-wet, met een volwaardige bewijslast voor de urgentie én de uitzonderingsvoorwaarden van de UDN-procedure. De Raad tekent de grens scherp af: een overheid die grond ter beschikking stelt via een opstalrecht en de operator autonoom laat ondernemen, koopt geen prestaties in (geen opdracht) en externaliseert geen dienst aan gebruikers (geen concessie) — ook al dient het project onmiskenbaar het gemeentelijk belang. Voor de snel groeiende markt van hernieuwbare-energieprojecten op publieke gronden is dat een wezenlijke waarschuwing: wie meedingt naar zulke projecten, geniet niet automatisch de rechtsbescherming van het aanbestedingscontentieux. Het arrest toont bovendien genadeloos wat er gebeurt wanneer een verzoeker zijn procesregime verkeerd inschat: WPD bouwde haar verzoekschrift op de premisse van artikel 15 en stond met lege handen toen de Raad artikel 17 toepaste — een strategische gok die de vordering drie weken na de kwalificatiediscussie kelderde, zonder dat de grond van de zaak ooit aan bod kwam.
De les
Wie meedingt naar een project op publieke gronden, moet vóór elke procedurestap de verrichting zelf kwalificeren: gaat het om een opdracht of concessie onder de wet van 17 juni 2013, of om een gewone terbeschikkingstelling van onroerend goed? Reken niet op de soepele schorsingsregeling van artikel 15 als de kwalificatie betwistbaar is: pleit subsidiair, en lever in het verzoekschrift zelf het volwaardige urgentiebewijs dat artikel 17 vergt — concreet, becijferd en persoonlijk, niet met de loutere verwijzing naar gemiste winst en ervaring. Vijftien dagen wachten om een UDN-vordering in te stellen is bovendien spelen met vuur. Voor besturen die gronden valoriseren voor hernieuwbare energie: de structuur van de verrichting bepaalt het contentieux. Een zuivere opstalconstructie zonder in te kopen prestaties valt buiten de overheidsopdrachtenregels — maar wie in de projectdocumenten toch prestaties ten eigen behoeve inschrijft, haalt het hele aanbestedingsrecht binnen.
Te onthouden
- De toekenning van een opstalrecht waarbij de operator installaties en terrein autonoom beheert, is prima facie geen overheidsopdracht: de overheid koopt geen prestaties in voor haar eigen behoeften of taken.
- Het is evenmin een concessie van diensten: daarvoor moet een dienst aan gebruikers worden geëxternaliseerd, en het loutere gemeentelijk belang bij groene energie volstaat niet.
- Buiten het toepassingsgebied van de wet van 17 juni 2013 geldt artikel 17 van de RvS-wet: de verzoeker draagt de volle bewijslast van de urgentie, aan te brengen in of bij het verzoekschrift.
- De uitsluiting van artikel 28, § 1, 1°, van de wet van 17 juni 2016 (verwerving of huur van onroerend goed) was hier niet het juiste argument: de gemeente verwierf geen rechten, ze verleende ze.
- WPD's expliciete stelling dat ze de urgentie niet hoefde te bewijzen, werd haar fataal toen de Raad het andere regime toepaste.
- De offertes van beide kandidaten blijven wegens het zakengeheim (art. 87 Regentsbesluit) voorlopig vertrouwelijk; de kosten en de rechtsplegingsvergoeding werden aangehouden.
Waarop letten
- De kwalificatie van de verrichting bepaalt het volledige procedurele regime — schorsingsvoorwaarden, bewijslast en termijnen.
- Een subsidiair urgentiebetoog kost weinig moeite bij het opstellen van het verzoekschrift, maar kan de vordering redden wanneer de kwalificatie kantelt.
- Vijftien dagen tussen kennisname en UDN-verzoekschrift ligt gevaarlijk dicht bij de grens die de rechtspraak aan de vereiste spoed stelt; de Raad liet dat punt hier zelfs onbeslecht omdat de urgentie al ontbrak.
- De vraag of de onregelmatigverklaring van de offerte terecht was — het beweerde voorbehoud over de vergoeding — kwam door de procedurele afwikkeling nooit aan bod.
- Het arrest oordeelt prima facie, in het kader van de UDN-procedure; de kwalificatie kan in de annulatieprocedure in beginsel nog worden herbekeken.
Stel jezelf de vraag
Hebt u, vóór u een schorsingsprocedure opstart, zelf gekwalificeerd of de verrichting een overheidsopdracht, een concessie of een louter zakelijk-rechtelijke constructie is — en wat dat betekent voor uw bewijslast? Bevat uw verzoekschrift een volwaardig, concreet urgentiebetoog, ook als u meent daarvan vrijgesteld te zijn? Kunt u het beweerde nadeel — gemiste winst, verloren referentie-ervaring — met cijfers en stukken hardmaken? En als bestuur: weerspiegelen uw projectdocumenten de gekozen kwalificatie, of wekken ze de indruk dat u prestaties inkoopt en dus aanbestedingsplichtig bent?
Gerelateerde arresten
Over deze databank
De Raad van State is het hoogste administratieve rechtscollege in België. Bij geschillen over overheidsopdrachten — van de gunning van een contract tot de uitsluiting van een inschrijver — is het de Raad van State die in laatste instantie oordeelt. De arresten in deze databank zijn door TenderWolf samengevat in begrijpelijke taal, met concrete lessen voor inschrijvers en aanbestedende overheden. Bekijk alle arresten →