Schorsing Nederlandstalig college

Schorsing onregelmatigverklaring offerte: beide weringsmotieven niet draagkrachtig — ISO27002-vereiste onduidelijk en door andere inschrijvers op vergelijkbare wijze begrepen — maximale uitvoeringstermijn van 9 maanden op gespannen voet met constructieplanning en door meerderheid inschrijvers niet gerespecteerd

Arrest nr. 265038 · 2 december 2025 · XIVe kamer

De Raad van State schorste de beslissing van de Nationale Loterij om de offerte van de tijdelijke maatschap NV W.-BV V. onregelmatig te verklaren in het kader van een mededingingsprocedure met onderhandeling voor het ontwerp en de uitvoering van inrichtingswerken van kantoorruimtes in het Brouck'R-gebouw, omdat beide weringsmotieven op het eerste gezicht geen draagkrachtige grondslag boden: het motief inzake ISO27002 miste feitelijke grondslag nu de verzoekende partijen wél beveiligingsmaatregelen hadden beschreven en regulier bevonden inschrijvers het bestek op vergelijkbare wijze hadden begrepen, en het motief inzake de maximale uitvoeringstermijn van 9 maanden was niet transparant gelet op de onduidelijkheid van de bestekbepalingen en de spanning met de constructieplanning in bijlage X.

Wat gebeurde er?

De Nationale Loterij, een naamloze vennootschap van publiek recht, schreef een overheidsopdracht voor werken uit via een mededingingsprocedure met onderhandeling, met als voorwerp het ontwerp en de uitvoering van inrichtingswerken van kantoorruimtes in het nieuwe hoofdgebouw Brouck'R te Brussel (inclusief technische opvolging), een change management-traject en de coördinatie van de verhuis vanuit de Belliardstraat. Het betrof een raamovereenkomst met één opdrachtnemer voor een totale oppervlakte van circa 11.000 m², waarvan ongeveer 7.000 m² voor het hoofdgebouw Brouck'R. De gunningscriteria waren de prijs (55 punten), methodologie en samenwerkingskader (20 punten), kwaliteit van het inrichtingsconcept (15 punten) en duurzaamheid en circulair materiaalgebruik (10 punten). Meerdere kandidaten werden geselecteerd en dienden een offerte in, waaronder de tijdelijke maatschap NV W.-BV V. (de verzoekende partijen). Het bestek bevatte onder meer twee relevante minimumvereisten. De eerste, punt 3.2.4, verplichtte de inschrijvers om de werkzaamheden zodanig uit te voeren dat het resultaat conform was aan de ISO27002-richtlijnen met betrekking tot fysieke beveiliging en toegangsbeheer, en om in hun offerte gedetailleerd te beschrijven welke maatregelen daartoe zouden worden genomen. De tweede, punt 3.2.2, bepaalde dat de vooropgestelde planning en uitvoeringstermijn van 9 maanden, zoals bepaald in Bijlage I, gold als maximale uitvoeringstermijn voor de inrichting van het hoofdgebouw, waarbinnen alle deelelementen — inrichting, change management, projectmanagement en verhuis — moesten worden uitgevoerd. Het bestek bevatte ook een bijlage M met gedetailleerde fysieke beveiligingsmaatregelen per veiligheidszone (publieke zone, operationele zone, beperkte zone en hoogbeveiligde zone) en een bijlage I met een indicatieve tijdslijn, uitdrukkelijk omschreven als 'louter indicatief'. Later werd een bijlage X toegevoegd met de constructieplanning van de opdrachtnemer voor de bouw van het gebouw, waarover de verwerende partij uitdrukkelijk stelde dat de inschrijvers hiermee rekening moesten houden. In een tussentijds evaluatierapport werd de offerte van de verzoekende partijen substantieel onregelmatig verklaard op grond van twee motieven: ten eerste beschreven zij niet welke maatregelen zouden worden genomen om aan de ISO27002-richtlijnen te voldoen, ten tweede respecteerden zij niet de maximale uitvoeringstermijn van 9 maanden. Daarnaast werd nog een opmerking geformuleerd over de hoge prijs voor projectmanagement, maar de verwerende partij erkende dat hieraan geen gevolg was gekoppeld in de beslissing. Op 14 oktober 2025 besliste de raad van bestuur overeenkomstig het evaluatierapport. De verzoekende partijen stelden een UDN-vordering in met drie onderdelen. Over het derde onderdeel (prijsopmerking) oordeelde de Raad dat de verzoekende partijen geen belang hadden, nu de verwerende partij erkende dat het geen weringsmotief betrof. Over het eerste onderdeel (ISO27002) oordeelde de Raad dat het weringsmotief op het eerste gezicht feitelijke grondslag miste. De verzoekende partijen hadden in bijlage G bij hun offerte onder de titel 'veiligheid' wel degelijk beveiligingsmaatregelen beschreven: programmeerbare toegangscontrole voor elk van de vier veiligheidszones, en het gebruik van de in het bestek aangeleverde tabel van standaardmaatregelen. In bijlage P hadden zij de beveiligingszones aangeduid. Bovendien was er op het eerste gezicht verwarring bij de inschrijvers over de draagwijdte van de vereiste, nu het bestek naast de ISO27002-vereiste in punt 3.2.4 ook een minimumvereiste 3.2.3 bevatte inzake de minimale graad van afwerking met verwijzing naar bijlage M, die zelf op gedetailleerde wijze de fysieke beveiligingsmaatregelen per zone beschreef. Het was niet duidelijk waarin de ISO27002-maatregelen te onderscheiden waren van de maatregelen in bijlage M. Inschrijvers van wie de offerte wél regelmatig was bevonden, leken een vergelijkbare benadering te hebben gevolgd door enkel toe te lichten hoe zij binnen hun eigen bedrijf informatie beveiligden. Ook de offertes van twee andere inschrijvers werden op een vergelijkbaar motief onregelmatig verklaard. Het eerste onderdeel was ernstig. Over het tweede onderdeel (uitvoeringstermijn) oordeelde de Raad dat de bestekbepalingen op het eerste gezicht onduidelijk waren. Punt 3.2.2 verwees naar een maximale termijn van 9 maanden zoals bepaald in bijlage I, maar deze bijlage bepaalde als dusdanig geen termijn van 9 maanden en was uitdrukkelijk indicatief. Bovendien stond de uitvoeringstermijn op gespannen voet met bijlage X, waaruit bleek dat de opdrachtnemer voor de constructie van gebouw J nog tot week 39 (eind september 2026) werken plande, zodat niet vaststond dat alle inrichtingswerken en de verhuis binnen 9 maanden konden worden gerealiseerd. Punt 3.1.2 van het bestek verwees ook op verwarrende wijze naar een maximale termijn van 9 maanden voor 'iedere afzonderlijke deelopdracht', wat bij sommige inschrijvers de indruk wekte dat elke component afzonderlijk 9 maanden had. De meerderheid van de ingediende eerste offertes werd onregelmatig bevonden, onder meer wegens het niet respecteren van de maximale uitvoeringstermijn. De Raad concludeerde dat niet alle behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijvers de juiste draagwijdte van het vereiste konden begrijpen, zodat de verwerende partij niet op transparante wijze had gehandeld. Ook het tweede onderdeel was ernstig. De vordering tot schorsing werd ingewilligd.

Waarom doet dit ertoe?

Dit arrest is een belangrijk voorbeeld van hoe onduidelijke bestekbepalingen de onregelmatigverklaring van offertes kunnen ondermijnen. Wanneer een minimumvereiste door meerdere inschrijvers op dezelfde wijze wordt begrepen — en die interpretatie afwijkt van wat de aanbestedende overheid bedoelde — rijst de vraag of de vereiste wel transparant was geformuleerd. Het feit dat de meerderheid van de offertes onregelmatig werd verklaard op grond van dezelfde vereiste, vormt een sterke aanwijzing dat het bestek onduidelijk was. Het arrest toont ook aan dat een indicatieve tijdslijn als bijlage bij het bestek, gecombineerd met een bindende maximale uitvoeringstermijn die daarnaar verwijst, tot spanning leidt wanneer een later toegevoegde constructieplanning de haalbaarheid van die termijn in vraag stelt.

De les

Als aanbestedende overheid: formuleer minimumvereisten duidelijk, precies en ondubbelzinnig. Wanneer je verwijst naar normen zoals ISO27002, verduidelijk dan concreet wat je verwacht — zeker wanneer het bestek al gedetailleerde beveiligingsmaatregelen bevat in een andere bijlage. Vermijd ook dat een bindende maximale uitvoeringstermijn verwijst naar een indicatieve tijdslijn, en zorg dat later toegevoegde bijlagen (zoals een constructieplanning) niet in tegenspraak zijn met de vooropgestelde termijnen. Wanneer de meerderheid van de offertes op grond van hetzelfde vereiste onregelmatig wordt verklaard, is dat een sterke indicatie dat het vereiste niet transparant was. Als inschrijver: wanneer een minimumvereiste onduidelijk is, stel vragen tijdens de Q&A-fase. Maar als je offerte wordt geweerd op grond van een onduidelijk vereiste, en meerdere inschrijvers op hetzelfde struikelen, heb je een sterk argument dat het transparantiebeginsel is geschonden.

Stel jezelf de vraag

Als aanbestedende overheid: zijn je minimumvereisten zo duidelijk dat alle behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijvers ze op dezelfde manier kunnen begrijpen? Verwijst een bindende termijn naar een indicatieve bijlage? Zijn de verschillende bestekbepalingen en bijlagen onderling coherent? Worden meerdere offertes op dezelfde grond geweerd — en zo ja, is dat een signaal dat het bestek onduidelijk is? Als inschrijver: heb je gecontroleerd of de tijdslijn in het bestek realistisch en haalbaar is in het licht van alle bijlagen? Heb je eventuele onduidelijkheden over minimumvereisten aangekaart tijdens de Q&A-fase?

Over deze databank

De Raad van State is het hoogste administratieve rechtscollege in België. Bij geschillen over overheidsopdrachten — van de gunning van een contract tot de uitsluiting van een inschrijver — is het de Raad van State die in laatste instantie oordeelt. De arresten in deze databank zijn door TenderWolf samengevat in begrijpelijke taal, met concrete lessen voor inschrijvers en aanbestedende overheden. Bekijk alle arresten →