Vernietiging KB wijziging maximumbedragen erkenningsklassen aannemers: verhoging met 20% herstelt proportionaliteit niet wanneer bouwkosten met factor 2,5 zijn gestegen en personeelsvereisten ongewijzigd blijven
De Raad van State vernietigde het koninklijk besluit van 14 april 2024 dat de maximumbedragen per erkenningsklasse voor aannemers van werken met 20% verhoogde, omdat deze verhoging de proportionaliteit niet herstelde tussen de nieuwe maximumbedragen en de ongewijzigde personeelsvereisten — terwijl de bouwkosten sinds 1991 met een factor 2,5 waren gestegen (ABEX-index) en de baggersector kapitaalsintensiever en minder personeelsintensief was geworden.
Wat gebeurde er?
Het koninklijk besluit van 14 april 2024 wijzigde artikel 3 van het koninklijk besluit van 26 september 1991 dat de toepassingsmaatregelen van de wet van 20 maart 1991 inzake de erkenning van aannemers van werken vaststelt. Het bestreden besluit verhoogde de maximumbedragen per erkenningsklasse met circa 20%. Voor klasse 7 steeg het maximumbedrag van 5.330.000 euro naar 6.396.000 euro. Voor klasse 8 was er geen maximumbedrag; het totale bedrag van gelijktijdig uit te voeren werken steeg van 260.000.000 naar 312.000.000 euro. NV G., een klasse 7 baggerbedrijf van type A met 19 arbeiders en 49 werknemers in totaal, vocht het besluit aan met een annulatieberoep. De verzoekende partij betoogde dat het gelijkheidsbeginsel was geschonden. Het erkenningssysteem koppelt maximumbedragen per klasse aan personeelsvereisten: voor klasse 8 zijn minstens 83 werklieden vereist (type A). Door de maximumbedragen te verhogen zonder de personeelsvereisten aan te passen, was elke proportionaliteit zoek. Sinds 1991 waren de bouwkosten gestegen met een factor 2,5 (ABEX-index), maar de maximumbedragen voor klasse 7 waren slechts met 20% verhoogd. Het oorspronkelijke KB van 1991 voorzag in een vijfjaarlijkse aanpassing aan de ABEX-index, maar die was nooit uitgevoerd en in 2016 afgeschaft. Bovendien was de baggersector sinds 1991 fundamenteel veranderd: veel kapitaalsintensiever en minder personeelsintensief. Het zakencijfer per arbeider was gestegen met een factor 15. De verzoekende partij argumenteerde dat bedrijven van klasse 8 het toepassingsgebied van hun exclusieve bevoegdheid quasi volledig de reële evolutie van de bouwkosten zagen volgen, terwijl klasse 7 bedrijven in reële termen werden gedegradeerd tot het niveau van klasse 5. In het tweede middel voerde NV G. aan dat het bestreden besluit de maximumbedragen ongedifferentieerd toepaste op alle activiteiten, zonder te verantwoorden waarom baggerbedrijven (type A, strengere personeelseisen) dezelfde limiet kregen opgelegd als bedrijven van type B (minder strenge eisen) of bedrijven bedoeld in artikel 12 van het KB (nog lagere personeelsvereiste door 30% vermindering). De verwerende partij betwistte zowel het belang als de gegrondheid. Over het belang argumenteerde zij dat een vernietiging de verzoekende partij niet zou baten, aangezien dan de vorige, nog lagere maximumbedragen zouden herleven. Over de grond betoogde zij dat het om een steunmaatregel ging voor een sector in crisis, dat klasse 7 en 8 bedrijven niet vergelijkbaar zijn, en dat de verzoekende partij in feite als klasse 8 bedrijf wilde opereren. De VZW E. (beroepsgroepering) diende op 12 november 2025, enkele dagen voor de terechtzitting, een verzoekschrift tot tussenkomst in. De Raad van State wees deze tussenkomst af wegens deloyaal procesgedrag: de beroepsgroepering had het Belgisch Staatsblad moeten consulteren en wist of moest weten dat het besluit werd aangevochten, maar wachtte meer dan een jaar om in te grijpen. De verwerende partij diende eveneens de dag vóór de terechtzitting een 'aanvullende laatste memorie' in met een vordering tot behoud van de gevolgen van het bestreden reglement op grond van artikel 14ter van de gecoördineerde wetten. De Raad van State wees ook deze vordering af: de procedureregeling voorziet niet in een aanvullende laatste memorie, de verwerende partij had haar vordering in de reguliere laatste memorie van 30 juni 2025 kunnen formuleren, en het laattijdige optreden beperkte het recht van verdediging en was deloyaal. Over het belang oordeelde de Raad van State dat bij een reglementair besluit de omstandigheid dat een vernietiging uitzicht biedt op een nieuwe en gunstiger regeling volstaat om het belang te verantwoorden. Door het bestreden besluit had de verwerende partij immers haar wil geuit in een nieuwe regeling te voorzien, en de verzoekende partij streefde niet naar de terugkeer naar de vorige toestand maar naar een proportionele regeling. Over de grond oordeelde de Raad van State dat de verwerende partij niet had aangetoond dat de proportionaliteit was hersteld tussen de nieuwe maximumbedragen en de ongewijzigde personeelsvereisten. De Commissie voor Overheidsopdrachten had in haar advies van 24 maart 2024 zelf gewezen op de 'incoherentie' en het 'onevenwicht' door de bedragen te indexeren zonder de gelinkte criteria aan te passen. Op deze incoherentie was niet ingegaan. Het argument dat het een tijdelijke steunmaatregel was in afwachting van een bredere hervorming, deed hieraan geen afbreuk. Nieuwe cijfermatige argumenten over de baggersector die de verwerende partij pas in haar laatste memorie aanvoerde, werden als laattijdig verworpen. Het eerste en het tweede middel werden in de aangegeven mate gegrond bevonden en het KB van 14 april 2024 werd vernietigd.
Waarom doet dit ertoe?
Dit arrest is principieel belangrijk voor het Belgische erkenningssysteem voor aannemers van werken. Het verduidelijkt dat wanneer de regelgever de maximumbedragen per erkenningsklasse verhoogt, hij de proportionaliteit moet bewaken met de ongewijzigde erkenningsvereisten, in het bijzonder de personeelseisen. Een loutere verhoging van de bedragen zonder aandacht voor de samenhang met de bestaande criteria schendt het gelijkheidsbeginsel. Het arrest bevestigt ook dat bij de bestrijding van reglementaire besluiten het belang ruimer wordt beoordeeld: het uitzicht op een nieuwe, gunstiger regeling na vernietiging volstaat. De beslissing is tevens relevant voor de procedurele praktijk: zowel de laattijdige tussenkomst van een beroepsgroepering als de laattijdige vordering tot behoud van de gevolgen (artikel 14ter) werden afgewezen wegens deloyaal procesgedrag, zelfs wanneer argumenten van openbare orde werden aangevoerd. Voor de bouwsector in het algemeen en de baggersector in het bijzonder illustreert het arrest dat de erkenningsreglementering moet worden geactualiseerd om rekening te houden met de evolutie naar een meer kapitaalsintensieve en minder personeelsintensieve sector.
De les
Als regelgever: wanneer je de maximumbedragen per erkenningsklasse verhoogt, moet je de proportionaliteit bewaken met de ongewijzigde erkenningscriteria. Een verhoging van 20% terwijl de bouwkosten met factor 2,5 zijn gestegen, herstelt de proportionaliteit niet. Als je niet tegelijk de personeelsvereisten herbekijkt, riskeer je een vernietiging wegens schending van het gelijkheidsbeginsel. Als aannemer van klasse 7 of lager: wanneer de maximumbedragen niet in verhouding staan tot de bestaande personeelsvereisten, kan de disproportionaliteit van het erkenningssysteem een middel opleveren. Het feit dat een vernietiging de vorige, nog lagere maximumbedragen zou doen herleven, belet je niet om het reglementair besluit aan te vechten — het uitzicht op een nieuwe, proportionele regeling volstaat als belang. Als procespartij: dien verzoeken tot tussenkomst en vorderingen tot handhaving van gevolgen (artikel 14ter) tijdig in. Laattijdig optreden — vlak voor of daags voor de terechtzitting — wordt als deloyaal procesgedrag beschouwd en niet toegelaten, zelfs wanneer argumenten van openbare orde worden aangevoerd.
Stel jezelf de vraag
Als regelgever: is er nog een proportionele verhouding tussen de maximumbedragen per erkenningsklasse en de personeelsvereisten? Heb je bij het wijzigen van de bedragen onderzocht of de gelinkte criteria ook moeten worden aangepast? Als aannemer: wordt je door de huidige maximumbedragen verhinderd deel te nemen aan opdrachten waarvoor je technisch en financieel geschikt bent? Is de wanverhouding tussen bedragen en erkenningsvereisten een mogelijk middel? Als procespartij: heb je je tussenkomst of vordering tot handhaving tijdig ingediend?
Over deze databank
De Raad van State is het hoogste administratieve rechtscollege in België. Bij geschillen over overheidsopdrachten — van de gunning van een contract tot de uitsluiting van een inschrijver — is het de Raad van State die in laatste instantie oordeelt. De arresten in deze databank zijn door TenderWolf samengevat in begrijpelijke taal, met concrete lessen voor inschrijvers en aanbestedende overheden. Bekijk alle arresten →