UDN-vordering aanvullende inrichtingswerken Kloosterbeemden verworpen wegens niet-verschijning verzoekende partij — toepassing artikel 11 lid 3 KB 19 november 2024
De Raad van State verwierp de UDN-vordering van NV W. tegen de gunning door het Agentschap voor Natuur en Bos van de overheidsopdracht voor werken met als voorwerp aanvullende inrichtingswerken Kloosterbeemden, nadat de verzoekende partij op 13 januari 2026 om 22u22 — daags voor de terechtzitting — meedeelde niet te zullen verschijnen en niet meer aan te dringen op het beroep, met toepassing van artikel 11, derde lid, van het KB van 19 november 2024.
Wat gebeurde er?
Het Agentschap voor Natuur en Bos gunde op 2 december 2025 een overheidsopdracht voor werken met als voorwerp aanvullende inrichtingswerken Kloosterbeemden aan een derde partij. NV W. stelde op 26 december 2025 een vordering in tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van deze gunningsbeslissing. Bij beschikking van 29 december 2025 werd de procedurekalender vastgesteld. De verwerende partij diende een nota en een administratief dossier in. De partijen werden opgeroepen voor de terechtzitting van 14 januari 2026 om 11u00. Op 13 januari 2026 om 22u22 — daags voor de terechtzitting — deelde de verzoekende partij per e-mail mee dat zij niet op de zitting aanwezig zou zijn en dat tevens niet meer werd aangedrongen op het ingestelde beroep. De verzoekende partij verscheen niet ter terechtzitting en was er ook niet vertegenwoordigd. De Raad van State paste artikel 11, derde lid, van het koninklijk besluit van 19 november 2024 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding toe, dat voorziet dat de vordering tot schorsing moet worden afgewezen wanneer de eiser noch verschijnt noch vertegenwoordigd is. De vordering werd verworpen. De verzoekende partij werd verwezen in de kosten, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 26 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro verschuldigd aan de verwerende partij. Staatsraad Inge Vos bracht verslag uit als waarnemend voorzitter en eerste auditeur Ines Martens gaf een eensluidend advies.
Waarom doet dit ertoe?
Dit arrest illustreert de toepassing van de nieuwe procedureregeling kort geding (KB 19 november 2024) — specifiek artikel 11, derde lid, dat de automatische afwijzing voorschrijft bij niet-verschijning. De verzoekende partij koos er bewust voor niet te verschijnen en mee te delen dat zij niet meer aandrong op het beroep. De kosten — inclusief de rechtsplegingsvergoeding — vallen ten laste van de verzoekende partij, wat verschilt van de intrekkingszaken waar de verwerende partij de kosten draagt.
De les
Als verzoekende partij: wanneer je beslist je UDN-vordering niet voort te zetten, draag je de volledige proceskosten inclusief de rechtsplegingsvergoeding. Formeel afstand doen of niet verschijnen heeft hetzelfde gevolg maar bij niet-verschijning gaat het via artikel 11 lid 3 KB 2024. Overweeg of de redenen voor het opgeven (intrekking door verwerende partij, schikking, gewijzigde commerciële situatie) de kosten rechtvaardigen.
Stel jezelf de vraag
Als verzoekende partij: overweeg je je UDN-vordering op te geven? Je draagt de kosten inclusief de rechtsplegingsvergoeding. Communiceer tijdig en formeel met de Raad van State en je raadsman.
Over deze databank
De Raad van State is het hoogste administratieve rechtscollege in België. Bij geschillen over overheidsopdrachten — van de gunning van een contract tot de uitsluiting van een inschrijver — is het de Raad van State die in laatste instantie oordeelt. De arresten in deze databank zijn door TenderWolf samengevat in begrijpelijke taal, met concrete lessen voor inschrijvers en aanbestedende overheden. Bekijk alle arresten →