Het Gewest trekt de geschorste radiodispatching-opdracht in: de Raad oordeelt dat het beroep zonder voorwerp is — maar laat het Gewest betalen
Nadat de Raad van State de gunning van de opdracht ‘Exploitatie 24/7 van de radiodispatching van Brussel Mobiliteit’ aan Lombardi Belgium (2.013.950,18 euro incl. btw) al bij uiterst dringende noodzakelijkheid had geschorst, trok het Brussels Hoofdstedelijk Gewest die gunningsbeslissing in; daardoor verloor het annulatieberoep van Sophia Group zijn voorwerp, maar omdat een intrekking neerkomt op een verkapte vernietiging geldt het Gewest als de in het ongelijk gestelde partij en moet het de rechtsplegingsvergoeding en de kosten dragen.
Wat gebeurde er?
Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest gunde bij beslissing van 15 juli 2025, goedgekeurd op 18 juli 2025, de overheidsopdracht voor diensten ‘Exploitatie 24/7 van de radiodispatching van Brussel Mobiliteit’ aan de NV Lombardi Belgium voor 2.013.950,18 euro inclusief btw. De BVBA Sophia Group, een afgewezen inschrijver, stelde een beroep in en vorderde de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Bij arrest nr. 264.175 van 16 september 2025 willigde de Raad van State de tussenkomst van Lombardi Belgium in en schorste hij de tenuitvoerlegging van de gunningsbeslissing bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Daarna nam de zaak een wending die het inhoudelijke debat overbodig maakte. Op 14 november 2025 trok het Gewest de bestreden gunningsbeslissing zelf in. Het betekende die intrekking aan alle inschrijvers bij e-mail en aangetekende brief van 18 november 2025, met vermelding van de beroepsmogelijkheden en van de na te leven vormen en termijnen. Geen enkele inschrijver vorderde binnen de voorgeschreven termijn de vernietiging van de intrekkingsbeslissing. De Raad leidde daaruit af dat de intrekking definitief was geworden, zodat het beroep zijn voorwerp had verloren; de conclusies van het auditoraatsverslag konden worden gevolgd. Over de kosten oordeelde de Raad dat het verdwijnen van de bestreden akte als gevolg van de intrekking een vorm van verkapte vernietiging is (‘succédané d’une annulation contentieuse’): in de zin van artikel 30/1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet de verwerende partij dan worden beschouwd als de in het ongelijk gestelde partij en de verzoekende partij als de partij die in het gelijk is gesteld. De Raad besliste dan ook dat er geen uitspraak meer hoefde te worden gedaan over de vordering zelf, en legde de kosten ten laste van het Gewest: het rolrecht van 400 euro, de bijdragen van 52 euro en de aan Sophia Group toegekende rechtsplegingsvergoeding van 770 euro. De tussenkomende partij Lombardi Belgium draagt enkel het recht van 150 euro dat aan haar tussenkomst verbonden is.
Waarom doet dit ertoe?
Dit arrest toont hoe beslissend de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid is in het aanbestedingscontentieux, en hoe een afgewezen inschrijver een ogenschijnlijke anticlimax — een beroep dat ‘zonder voorwerp’ wordt verklaard — toch als een overwinning mag tellen. Wie de schorsing van een gunning verkrijgt, zet de aanbesteder vaak voor een keuze: doorvechten of de eigen beslissing intrekken en de procedure overdoen. Kiest de overheid voor de intrekking, dan valt het inhoudelijke debat weg en spreekt de Raad zich niet meer uit over de grond van de zaak. Dat voelt als een onbeslist resultaat, maar juridisch is het dat niet: de Raad behandelt de intrekking als een verkapte vernietiging, zodat de intrekkende overheid de verliezende partij is en de verzoeker recht heeft op zijn rechtsplegingsvergoeding en kosten. Twee praktische punten springen in het oog. Ten eerste wordt de intrekking pas definitief — en de zaak pas echt afgesloten — wanneer niemand ze binnen de termijn aanvecht; de Raad gaat dat uitdrukkelijk na. Ten tweede draagt de begunstigde derde die was tussengekomen niet de volledige kosten, maar enkel zijn eigen tussenkomstrecht. Voor de aanbesteder is de boodschap dat intrekken een legitieme uitweg is — de procedure kan worden overgedaan — maar dat die uitweg de kostengevolgen van een verlies meebrengt.
De les
Vecht als afgewezen inschrijver de gunning aan via de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid: dat is de hefboom. Verkrijgt u de schorsing en trekt de overheid daarna haar beslissing in, laat het beroep dan niet vallen in de veronderstelling dat u niets meer kunt halen. Vorder uitdrukkelijk uw rechtsplegingsvergoeding (hier 770 euro) en uw kosten, want de Raad beschouwt de intrekking als een verkapte vernietiging in uw voordeel. Controleer ook of de intrekking correct aan alle inschrijvers is betekend, met de beroepsmogelijkheden en termijnen — dat is wat haar definitief maakt. Bent u aanbesteder, dan is de spiegelboodschap: het intrekken van een betwiste gunning is een geldige manier om een procedurele misslag recht te zetten en de opdracht over te doen, maar reken erop dat u, ook zonder inhoudelijk oordeel, als de in het ongelijk gestelde partij de kosten en de rechtsplegingsvergoeding draagt. De tussengekomen begunstigde betaalt enkel zijn eigen tussenkomstrecht.
Te onthouden
- Wanneer de aanbesteder de bestreden gunningsbeslissing intrekt, verliest het beroep zijn voorwerp en hoeft de Raad van State niet meer ten gronde te oordelen.
- De intrekking is pas definitief wanneer geen enkele inschrijver ze binnen de voorgeschreven termijn aanvecht; daarom moet de overheid de intrekking aan álle inschrijvers betekenen met vermelding van de beroepsmogelijkheden, -vormen en -termijnen.
- Een intrekking komt neer op een verkapte vernietiging (‘succédané d’une annulation’): de intrekkende overheid is de in het ongelijk gestelde partij en de verzoeker de in het gelijk gestelde partij (art. 30/1 gecoördineerde wetten op de Raad van State).
- Gevolg voor de kosten: het Gewest draagt het rolrecht van 400 euro, de bijdragen van 52 euro en de rechtsplegingsvergoeding van 770 euro; de tussenkomende partij draagt enkel haar eigen tussenkomstrecht van 150 euro.
- De schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid (arrest nr. 264.175 van 16 september 2025) was de hefboom die de intrekking in gang zette.
Waarop letten
- De datum waarop de intrekking definitief wordt: pas wanneer de termijn om ze aan te vechten ongebruikt is verstreken.
- De correcte betekening van de intrekking aan alle inschrijvers, met beroepsmogelijkheden en termijnen — een gebrekkige kennisgeving kan de intrekking aanvechtbaar houden.
- Het verschil in kostenregeling tussen de verwerende partij (volledige kosten plus rechtsplegingsvergoeding) en de tussenkomende partij (enkel het tussenkomstrecht).
- De verleiding om na een geschorste én ingetrokken gunning het beroep te laten vallen — net wanneer u recht hebt op uw kosten en rechtsplegingsvergoeding.
Stel jezelf de vraag
Hebt u na een geschorste gunning juist ingeschat wat een intrekking door de overheid voor u betekent — namelijk dat uw beroep zonder voorwerp wordt, maar dat u als de in het gelijk gestelde partij uw rechtsplegingsvergoeding en kosten kunt recupereren? Weet u dat de intrekking pas definitief is wanneer niemand ze binnen de termijn aanvecht, en dat de overheid de inschrijvers daarvoor moet aanschrijven met vermelding van de beroepsmogelijkheden, -vormen en -termijnen? En als aanbesteder: beseft u dat het intrekken van een betwiste gunning u, ondanks de afwezigheid van een inhoudelijk oordeel, als de verliezende partij de kosten en de rechtsplegingsvergoeding oplevert, terwijl de tussengekomen begunstigde enkel zijn eigen tussenkomstrecht draagt?
Gerelateerde arresten
Over deze databank
De Raad van State is het hoogste administratieve rechtscollege in België. Bij geschillen over overheidsopdrachten — van de gunning van een contract tot de uitsluiting van een inschrijver — is het de Raad van State die in laatste instantie oordeelt. De arresten in deze databank zijn door TenderWolf samengevat in begrijpelijke taal, met concrete lessen voor inschrijvers en aanbestedende overheden. Bekijk alle arresten →