Twee miljoen goedkoper is nog geen abnormaal lage prijs: waarom de verliezer van het Farys-watercontract met loutere beweringen niet ver komt
De Raad van State verwerpt de UDN-vordering tegen de gunning door Farys en Creat van een raamovereenkomst voor het huren van waterontladers: dat de winnaar met 6,5 miljoen euro ruim twee miljoen onder de verzoeker bood, volstaat niet om van een ‘schijnbaar abnormale prijs’ te spreken, want het algemeen prijsonderzoek toonde lagere maar aanvaardbare marges, en de verzoeker bleef bij loutere beweringen zonder concreet aan te tonen dat die prijs de opdracht niet aankan.
Wat gebeurde er?
De opdrachthoudende vereniging Farys plaatste, samen met de aankoopcentrale Creat, een opdracht voor leveringen in de vorm van een raamovereenkomst (bestek ALL-25-005) voor het huren van watersystemen die op het drinkwaternet worden aangesloten, met een onderhoudscontract en de aankoop van bijhorende verbruiksproducten. De raamovereenkomst liep over vier jaar, met individuele opdrachten van vijf jaar, tweemaal met één jaar verlengbaar — tot zeven jaar dus. Gekozen werd voor een openbare procedure met gunning aan de economisch meest voordelige regelmatige offerte volgens drie criteria: de inschrijvingsprijs (70 %), de kwaliteit van de dienstverlening (20 %) en MVO (10 %). Drie inschrijvers dienden een offerte in. De totaalprijzen lagen ver uit elkaar: de gekozen inschrijver (bv L.) bood 6 513 663,10 euro, de verzoekende partij (nv A.) 8 629 649,14 euro en de derde gerangschikte 10 043 479,60 euro. In het gunningsverslag van 5 maart 2026 werden de offertes regelmatig bevonden; voor de prijs behaalde bv L. 42,85 punten tegenover 34,03 voor de verzoeker, wat de gekozen inschrijver bovenaan bracht. De opdracht werd aan bv L. gegund. De verzoekende partij trok in uiterst dringende noodzakelijkheid naar de Raad van State en richtte haar vordering ook tegen de impliciete beslissing om de opdracht níét aan haar te gunnen. Op dat laatste punt verklaarde de Raad de vordering niet-ontvankelijk: een tweede gerangschikte die de schorsing van een impliciete weigeringsbeslissing vraagt, moet uitzonderlijke omstandigheden aantonen die op een rechtsplicht wijzen om de opdracht aan haar te gunnen — en zelfs als de offerte van de winnaar onregelmatig zou blijken, volgt daaruit niet dat de opdracht dan automatisch aan de verzoeker toekomt, nu een hernieuwd prijsonderzoek tot andere uitkomsten kan leiden. Van de twee resterende middelen deed de verzoeker het eerste ter zitting af. Het tweede middel betrof de motivering: de beoordelingsmethodiek voor het tweede en derde gunningscriterium zou subgunningscriteria evalueren zonder afzonderlijke weging. De Raad herinnerde eraan dat een aanbestedende overheid over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt om haar methodiek te kiezen, zolang die de kwalitatieve verschillen correct in kaart brengt, en bevond het middel niet ernstig. De kern lag in het derde middel: het beweerde gebrek aan onderzoek naar de abnormaal lage prijs van de winnaar. De Raad zette het wettelijk kader uiteen. Artikel 84 van de Wet Overheidsopdrachten en artikel 35 van het KB Plaatsing verplichten de aanbesteder tot een algemeen prijsonderzoek over alle offertes, gericht op het detecteren van indiciën van abnormale prijzen; pas wanneer zulke indiciën opduiken, ontstaat met artikel 36 de plicht tot een bijzonder onderzoek met prijsverantwoording. Hier had Farys vastgesteld dat de winnaar ‘significant lager’ bood, en op die grond bij álle inschrijvers gedetailleerde prijsuitsplitsingen opgevraagd. Daaruit bleek dat de kostprijscomponenten (aankoop van de toestellen, installatie, pick-up, onderhoud, interventies) grosso modo vergelijkbaar waren, maar dat de winnaar lagere marges hanteerde. Die lagere marges beschouwde de aanbesteder, mede op basis van haar eigen marktkennis (waar marges van 15 à 20 % gangbaar zijn om nieuwe klanten binnen te halen), als aanvaardbaar: zowel de algemene kosten als de winstgevendheid bleven gedekt. Een ‘significant lagere’ prijs is volgens de Raad niet hetzelfde als een ‘schijnbaar abnormale’ prijs; de vraag om toelichting kaderde uitdrukkelijk in het algemene artikel 35-onderzoek, niet in een artikel 36-prijsverantwoording. De verzoeker maakte niet aannemelijk dat de aanbesteder zijn beoordelingsruimte had overschreden: het loutere feit dat de winstmarge van de winnaar lager lag dan de zijne, volstaat niet als indicie van een abnormale prijs, en zijn stelling dat de kosten ‘onmogelijk op structureel haalbare wijze’ in de prijs konden zitten, bleef een blote bewering. Ook de lange looptijd was betrokken in het onderzoek (toelichting over jaar zes en zeven, jaarlijkse prijsherzieningsformule), en de kritiek over de filtercapaciteit hoorde niet thuis in een prijsmiddel. Geen van beide middelen was ernstig; de vordering werd verworpen en de verzoeker verwezen in de kosten (rolrecht 200 euro, bijdrage 26 euro, rechtsplegingsvergoeding 770 euro), de tussenkomende partij in een rolrecht van 150 euro.
Waarom doet dit ertoe?
Wie een opdracht verliest aan een opvallend goedkopere concurrent, grijpt graag naar het verwijt van de ‘abnormaal lage prijs’. Dit arrest tempert die reflex. De Raad bevestigt het tweetrapssysteem: het algemeen prijsonderzoek (artikel 35 KB Plaatsing) is altijd verplicht en gericht op het detecteren van indiciën; een bijzonder onderzoek met prijsverantwoording (artikel 36) is pas verplicht zodra er concrete aanwijzingen van een schijnbaar abnormale prijs zijn. Een prijs die ‘significant lager’ is, of een winstmarge die lager ligt dan de uwe, is op zichzelf zo'n aanwijzing niet — zeker niet wanneer de aanbesteder de kostprijscomponenten heeft vergeleken en de marges aanvaardbaar bevindt. Voor de aanbesteder is de geruststelling dat een grondig maar gemotiveerd artikel 35-onderzoek volstaat, en dat hij dat onderzoek niet in extenso in het gunningsverslag hoeft uit te schrijven zolang het uit het dossier blijkt. Voor de inschrijver is de waarschuwing scherp: loutere beweringen en retorische vragen halen het niet; u moet concreet aantonen dat de aangeboden prijs de contractuele verplichtingen onmogelijk kan dekken. En zelfs als u daarin zou slagen, krijgt u als tweede gerangschikte de opdracht niet vanzelf.
De les
Bouw een prijsmiddel op feiten, niet op verbazing. Wil u de gunning aanvechten omdat de winnaar te goedkoop zou zijn, toon dan concreet aan dat zijn prijs welbepaalde contractuele verplichtingen niet kan dekken — wijs op specifieke posten, kosten of uitvoeringsrisico's, niet op het enkele feit dat zijn marge lager is dan de uwe. Hou voor ogen dat de aanbesteder enkel verplicht is tot een bijzonder prijsonderzoek (artikel 36) wanneer er indiciën van een schijnbaar abnormale prijs zijn; een ‘significant lagere’ prijs is dat niet automatisch. Meng geen kwaliteitskritiek (filters, specificaties) door een prijsmiddel — dat hoort bij de regelmatigheid of het kwaliteitscriterium. En weeg uw belang: als u tweede stond, vecht dan niet enkel de gunning aan, maar onderbouw waarom net ú recht zou hebben op de opdracht — anders blijft de impliciete weigeringsbeslissing buiten schot.
Te onthouden
- Het prijsonderzoek verloopt in twee trappen: het algemeen prijsonderzoek (artikel 35 KB Plaatsing) is steeds verplicht en gericht op het detecteren van indiciën; het bijzonder onderzoek met prijsverantwoording (artikel 36) is pas verplicht zodra er aanwijzingen van een schijnbaar abnormale prijs zijn
- Een ‘significant lagere’ inschrijvingsprijs of een lagere winstmarge dan die van een concurrent is op zichzelf geen aanwijzing van een schijnbaar abnormale prijs
- De aanbestedende overheid heeft beoordelingsruimte om al dan niet tot een bijzonder onderzoek over te gaan; de Raad van State mag zijn beoordeling niet in de plaats stellen, maar toetst wel of de motieven zorgvuldig en redelijk zijn
- Bij een vaststelling dat er geen abnormale prijzen zijn, hoeft het algemeen prijsonderzoek niet in extenso in het gunningsverslag te staan, zolang uit het administratief dossier blijkt dat het zorgvuldig is gevoerd
- Een tweede gerangschikte die de impliciete weigeringsbeslissing aanvecht, moet uitzonderlijke omstandigheden aantonen die op een rechtsplicht wijzen om de opdracht aan haar te gunnen; de loutere onregelmatigheid van de winnaar volstaat niet
- De aanbestedende overheid beschikt over een ruime bevoegdheid om haar beoordelingsmethodiek te kiezen, zolang die de kwalitatieve verschillen tussen de offertes correct in kaart brengt
Waarop letten
- Het verschil tussen een ‘significant lagere’ prijs (die verder onderzoek kan rechtvaardigen onder artikel 35) en een ‘schijnbaar abnormale’ prijs (die een artikel 36-prijsverantwoording vereist)
- De verleiding om een prijsmiddel te onderbouwen met loutere beweringen of retorische vragen in plaats van met een concrete analyse van niet-gedekte verplichtingen of kosten
- Kwaliteitskritiek (filtercapaciteit, technische specificaties) die ten onrechte in een prijsmiddel wordt geschoven in plaats van bij de regelmatigheid of het kwaliteitscriterium
- Bij lange contractlooptijden: of de aanbesteder de prijsopbouw voor de latere jaren en de prijsherzienings- of indexatieformule in zijn onderzoek heeft betrokken
- Uw belang als tweede gerangschikte: zonder onderbouwing van een rechtsplicht tot gunning aan u blijft de impliciete weigeringsbeslissing niet-ontvankelijk aanvechtbaar
Stel jezelf de vraag
Stel dat u net een opdracht verloor aan een concurrent die fors goedkoper was. Kunt u, los van uw eigen marge, concreet benoemen welke contractuele verplichting of kostenpost zijn prijs onmogelijk kan dekken — met verwijzing naar specifieke posten in de inventaris? Of blijft uw betoog hangen bij ‘zo goedkoop kán niet’? Hebt u nagegaan of de aanbesteder een algemeen prijsonderzoek voerde en prijsuitsplitsingen opvroeg — en zo ja, op welk concreet punt dat onderzoek tekortschiet? En als u tweede gerangschikt was: hebt u onderbouwd waarom de opdracht enkel nog aan u zou mogen worden gegund, of vecht u louter de gunning aan de ander aan?
Gerelateerde arresten
Over deze databank
De Raad van State is het hoogste administratieve rechtscollege in België. Bij geschillen over overheidsopdrachten — van de gunning van een contract tot de uitsluiting van een inschrijver — is het de Raad van State die in laatste instantie oordeelt. De arresten in deze databank zijn door TenderWolf samengevat in begrijpelijke taal, met concrete lessen voor inschrijvers en aanbestedende overheden. Bekijk alle arresten →