Wie is de bouwheer van een onderaannemer? SPI preciseerde het pas in haar nota, en verliest de brug van Pepinster
SPI weerde Nelles Frères uit de opdracht voor de heropbouw van de OCMW-voetgangersbrug in Pepinster omdat haar attest van goede uitvoering was ondertekend door de hoofdaannemer en niet door de ‘eindbegunstigde’ van de werken, maar die invulling van het begrip bouwheer stond nergens in het bestek — en de Raad van State schorste de niet-selectie en de gunning wegens schending van het transparantiebeginsel.
Wat gebeurde er?
Bij beslissing van 20 maart 2026 lanceerde de coöperatieve intercommunale vennootschap SPI een opdracht voor werken bij openbare procedure met als voorwerp ‘de veerkrachtige wederopbouw van de oevers van het Vesderbekken – Pepinster: heropbouw van de OCMW-voetgangersbrug’ — het herstel van infrastructuur in het gebied dat door de overstromingen van het Vesderbekken werd getroffen. De geraamde waarde bedroeg 404.026,75 euro exclusief btw. De aankondiging verscheen op 23 maart 2026 op het nationale e-Procurementplatform en werd gevolgd door vijf rechtzettingsberichten. Het bestek (nr. 2026-2487) eiste bij de kwalitatieve selectie onder meer dat de inschrijver ten minste één referentie voorlegde van een gelijkaardige werf voor een voetgangersbrug of een brug, vergezeld van een door de bouwheer geauthentificeerd getuigschrift van goede uitvoering en van een korte beschrijving van maximaal één A4-pagina, opgesteld door de ondernemer, met de precieze aard van de uitgevoerde werken. Zes offertes werden ingediend, waaronder die van de NV Nelles Frères. Op 6 mei 2026 stelde SPI Nelles Frères per e-mail een vraag over haar referenties. Die e-mail bleef onbeantwoord. Bij een niet-gedateerde beslissing, kennelijk genomen op 12 juni 2026, besloot SPI Nelles Frères niet te selecteren omdat zij slechts één van de twee vereiste referenties voorlegde, en de opdracht te gunnen aan de tijdelijke maatschap TEGEC-GEHLEN-TRAGECO, die de regelmatige en op het prijscriterium economisch voordeligste offerte had ingediend, voor 428.994,72 euro exclusief btw. Op 16 juni 2026 bracht SPI Nelles Frères per aangetekende brief en elektronisch op de hoogte; diezelfde dag lichtte zij de begunstigde in, met de vermelding dat die kennisgeving de opdracht sloot. Nelles Frères betwistte de beslissing bij brieven van 18 en 25 juni; SPI bevestigde haar standpunt op 23 en 29 juni, met enige verduidelijking. Op 1 juli 2026 vorderde Nelles Frères de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Ter zitting van 16 juli deed zij afstand van het onderdeel van haar vordering dat de impliciete beslissing om haar de opdracht niet te gunnen viseerde. De kern van het geschil was smal en scherp. Nelles Frères had een attest van goede uitvoering voorgelegd voor werken die zij als onderaannemer had uitgevoerd, ondertekend door de private onderneming voor wie zij was opgetreden. Zij betoogde dat in het bouwrecht de onderaannemingsovereenkomst zelf een aannemingsovereenkomst is, onderworpen aan dezelfde regels als de hoofdovereenkomst, en dat de hoofdaannemer in zijn verhouding tot de onderaannemer de positie van bouwheer inneemt: hij bestelt de werken en betaalt de prijs. SPI hield vol dat het begrip ‘bouwheer’ in het bestek moest worden begrepen als de eindbegunstigde van de werken, zodat de goede uitvoering onafhankelijk van de begunstigde van het attest wordt bevestigd; zij voegde daaraan toe dat de offerte van Nelles Frères ook de vereiste beschrijvende nota miste, en dat Nelles Frères op haar vraag van 6 mei geen nuttig gevolg had gegeven. De Raad van State volgde geen van beide argumenten. Het tweede motief — de ontbrekende beschrijvende nota — bleek noch uit de bestreden akte, noch uit het administratief dossier, noch uit de brief van 23 juni waarin SPI haar beslissing had willen verduidelijken. Het leek de beslissing dus niet te hebben bepaald en kon in dit stadium niet in aanmerking worden genomen. Over het eerste motief herinnerde de Raad aan wat artikel 65 van het KB van 18 april 2017 van een aanbesteder verlangt: wie een kwalitatief selectiecriterium oplegt, moet het voldoende precies formuleren, er een passend vereistenniveau aan koppelen, de aanvaardbare bewijsmiddelen kiezen, en dat alles vooraf bekendmaken in de aankondiging of de opdrachtdocumenten. Die publiciteitsvereiste steunt op het transparantiebeginsel van artikel 4 van de wet van 17 juni 2016, dat verlangt dat de voorwaarden en modaliteiten duidelijk, precies en ondubbelzinnig worden geformuleerd, zodat alle redelijk geïnformeerde en normaal zorgvuldige inschrijvers de draagwijdte ervan begrijpen en op dezelfde manier uitleggen, en zodat de aanbesteder zelf kan nagaan of de offertes eraan beantwoorden. De precisering die SPI in haar nota aanbracht, kon prima facie worden begrepen vanuit het doel dat zij nastreefde, maar zij voegde daarmee iets toe aan de tekst van de opdrachtdocumenten. En die toevoeging was allesbehalve onschuldig: zij was juist wat SPI toeliet het betwiste attest af te wijzen. De aanbesteder mocht niet afwijken van de formulering van het bewijsmiddel die zij zelf in het bestek had gebruikt. Daaruit volgde ook dat Nelles Frères niet kon worden verweten geen gevolg te hebben gegeven aan de brief van 6 mei — waarbij de Raad nog aantekende dat die brief was verstuurd naar een e-mailadres dat niet het in het offerteformulier opgegeven contactadres was, en evenmin via het elektronische platform was bezorgd. Dat het attest niet door een architect was ondertekend, deed evenmin ter zake: die eis stond niet in de opdrachtdocumenten. Prima facie kon SPI Nelles Frères om het aangevoerde motief dus niet weren zonder het transparantiebeginsel en haar eigen bestek te schenden. Het middel was in die mate ernstig, zonder dat de overige grieven nog moesten worden onderzocht. Bij de belangenafweging identificeerde SPI geen nadelige gevolgen van een schorsing die de voordelen ervan zouden overtreffen, en de Raad zag die evenmin. De Raad beval de schorsing van de beslissing van 12 juni 2026 en de onmiddellijke uitvoering van zijn arrest, hield de offertes van alle inschrijvers en die van de verzoekende partij in dit stadium vertrouwelijk, en hield de kosten, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, aan.
Waarom doet dit ertoe?
Het woord ‘bouwheer’ lijkt vanzelfsprekend tot iemand het in een selectiecriterium schrijft. Voor een aanbesteder die wil dat de goede uitvoering wordt bevestigd door iemand die er zelf geen belang bij heeft, is de eindbegunstigde de logische figuur. Voor een aannemer die als onderaannemer heeft gewerkt, is de hoofdaannemer even logisch zijn bouwheer — hij bestelde de werken en betaalde ze. Twee redelijke lezingen van hetzelfde woord: precies de situatie die het transparantiebeginsel moet uitsluiten. De Raad van State trekt daar de enige consequente conclusie uit. De precisering die SPI achteraf aanbrengt, is inhoudelijk begrijpelijk — de Raad zegt dat met zoveel woorden — maar zij komt te laat, want zij is juist datgene wat het attest onbruikbaar maakt. Wie de betekenis van zijn criterium pas vastlegt wanneer hij een offerte beoordeelt, bepaalt de uitkomst achteraf. Even leerzaam is wat er met het tweede motief gebeurt. SPI had in haar nota met opmerkingen een bijkomende grond aangevoerd — de ontbrekende beschrijvende nota — die op zich misschien houdbaar was. Maar die grond stond niet in de bestreden beslissing, niet in het administratief dossier, en zelfs niet in de brief waarin SPI haar beslissing had verduidelijkt. Een motief dat de beslissing niet heeft gedragen, kan ze voor de Raad niet redden. Ten slotte een detail met praktische draagwijdte: het verzoek om toelichting van 6 mei was verstuurd naar een ander adres dan het contactadres in het offerteformulier, en niet via het e-Procurementplatform. Een aanbesteder die een inschrijver verwijt niet te hebben geantwoord, moet eerst kunnen aantonen dat hij hem behoorlijk heeft bereikt. Dat het arrest zijn onmiddellijke uitvoering beveelt, is geen formaliteit: de opdracht was op 16 juni al gesloten door de kennisgeving aan de begunstigde, en de werf betreft het herstel van infrastructuur na de overstromingen van de Vesder.
De les
Bent u aanbesteder, definieer dan in het bestek zelf wat u met een sleutelbegrip bedoelt zodra dat begrip meer dan één redelijke lezing toelaat. ‘Een door de bouwheer geauthentificeerd getuigschrift’ is niet ondubbelzinnig wanneer inschrijvers ook als onderaannemer kunnen hebben gewerkt: schrijf dan uitdrukkelijk dat u het attest van de eindbegunstigde verlangt, of aanvaard het attest van de opdrachtgever van de aannemer. Leg ook het bewijsmiddel zelf vast — wie ondertekent, in welke hoedanigheid — want artikel 65 van het KB Plaatsing verplicht u de aanvaardbare bewijsmiddelen vooraf bekend te maken. Voeg achteraf niets toe: wat u in uw nota met opmerkingen preciseert, telt niet als het de uitkomst bepaalt. Zorg er verder voor dat élk motief waarop u steunt, in de beslissing zelf en in het administratief dossier terug te vinden is; een grond die pas in de procedure opduikt, wordt niet meegenomen. En communiceer via het adres dat de inschrijver in zijn offerteformulier opgaf, of via het platform — anders kunt u hem zijn stilzwijgen niet tegenwerpen. Bent u inschrijver, lees dan de bewijsvoorschriften even nauwkeurig als de technische eisen, en vraag tijdig om verduidelijking wanneer een begrip als ‘bouwheer’ in uw geval voor discussie vatbaar is. Legt u een referentie als onderaannemer voor, dan is uw positie verdedigbaar — maar u maakt ze sterker door meteen uit te leggen waarom de ondertekenaar in die relatie de bouwheer is. Controleer ten slotte welk contactadres in uw offerteformulier staat: het bepaalt waar verzoeken om toelichting toekomen, en hier redde het de zaak.
Te onthouden
- Een aanbesteder die een kwalitatief selectiecriterium oplegt, moet volgens artikel 65 van het KB van 18 april 2017 zowel het criterium als de aanvaardbare bewijsmiddelen vooraf en voldoende precies in de aankondiging of de opdrachtdocumenten vermelden.
- De uitleg dat ‘bouwheer’ de ‘eindbegunstigde’ van de werken betekent, voegde iets toe aan het bestek en schond daarmee het transparantiebeginsel van artikel 4 van de wet van 17 juni 2016 — ook al was die bedoeling op zich begrijpelijk.
- Een attest van goede uitvoering dat door de hoofdaannemer is ondertekend voor werken die de inschrijver als onderaannemer uitvoerde, kon op grond van de tekst van dit bestek niet zonder meer worden geweigerd.
- Een motief dat noch uit de bestreden beslissing, noch uit het administratief dossier, noch uit de latere toelichtingsbrief blijkt — hier het ontbreken van de beschrijvende nota — heeft de beslissing niet bepaald en wordt niet in aanmerking genomen.
- Een verzoek om toelichting dat naar een ander e-mailadres wordt gestuurd dan het contactadres in het offerteformulier en niet via het e-Procurementplatform loopt, kan de inschrijver niet worden tegengeworpen.
- Een vereiste die niet in de opdrachtdocumenten staat — hier de handtekening van een architect — kan niet achteraf worden ingeroepen.
- De Raad beval de onmiddellijke uitvoering van het schorsingsarrest; de opdracht was op 16 juni 2026 al gesloten door de kennisgeving aan de begunstigde.
- Bedragen: raming 404.026,75 euro exclusief btw, gunning aan de tijdelijke maatschap TEGEC-GEHLEN-TRAGECO voor 428.994,72 euro exclusief btw. De kosten en de rechtsplegingsvergoeding werden aangehouden.
Waarop letten
- Het onderscheid tussen een verduidelijking van een criterium en een toevoeging eraan: doorslaggevend is of de precisering de uitkomst bepaalt.
- De dubbele lezing van ‘bouwheer’ bij onderaanneming — in het bouwrecht is de onderaannemingsovereenkomst zelf een aannemingsovereenkomst, waarin de hoofdaannemer de rol van bouwheer vervult.
- Het administratief dossier als grens van uw verweer: wat er niet in staat, draagt de beslissing niet.
- Het contactadres in het offerteformulier en het gebruik van het e-Procurementplatform voor communicatie tijdens de analyse van de offertes.
- De vertrouwelijkheid van de offertes: SPI legde alle zes de offertes vertrouwelijk neer en de Raad handhaafde die vertrouwelijkheid in dit stadium.
- De afstand ter zitting van het onderdeel over de impliciete niet-gunningsbeslissing — een beroep dat op dat punt zelden slaagt.
Stel jezelf de vraag
Laat uw selectiecriterium slechts één lezing toe, ook voor een inschrijver die het werk als onderaannemer uitvoerde? Hebt u in het bestek vastgelegd wie het getuigschrift van goede uitvoering moet ondertekenen en in welke hoedanigheid? Staat élk motief waarop u uw niet-selectie steunt, letterlijk in de beslissing en in het administratief dossier — of ontdekt u er één pas terwijl u uw verweer schrijft? Hebt u uw verzoek om toelichting verstuurd naar het contactadres uit het offerteformulier of via het elektronische platform? En als inschrijver: hebt u nagegaan of het adres in uw offerteformulier wel het adres is dat u dagelijks opvolgt?
Gerelateerde arresten
Over deze databank
De Raad van State is het hoogste administratieve rechtscollege in België. Bij geschillen over overheidsopdrachten — van de gunning van een contract tot de uitsluiting van een inschrijver — is het de Raad van State die in laatste instantie oordeelt. De arresten in deze databank zijn door TenderWolf samengevat in begrijpelijke taal, met concrete lessen voor inschrijvers en aanbestedende overheden. Bekijk alle arresten →