Verwerping Nederlandstalig college

Een prijsverantwoording zonder één cijfer, en toch goed genoeg: Egemin houdt de elektromechanica van de Pierre Vandammesluis in Zeebrugge, Fabricom vangt bot

Arrest nr. 212691 · 19 april 2011 · XIIe kamer

Egemin bood met 12,3 miljoen euro ruim 1,5 miljoen minder dan Fabricom voor de vernieuwing van de elektromechanische uitrusting van de Pierre Vandammesluis en zakte 1,8 % onder het grensbedrag van artikel 110, § 4 KB 8 januari 1996; haar prijsverantwoording bevatte geen enkel cijfer, maar de Raad van State verwierp de UDN-vordering van Fabricom: ook een niet-cijfermatige verantwoording kan volstaan voor een totaalprijs, en het Vlaamse Gewest had ze — samen met zijn eigen prijsonderzoek — concreet beoordeeld.

Wat gebeurde er?

Het Vlaamse Gewest, Departement Mobiliteit en Openbare Werken, Agentschap Wegen en Verkeer, schreef met een openbare aanbesteding de werken ‘Haven Zeebrugge – vernieuwen van de elektromechanische uitrusting van de Pierre Vandammesluis’ uit (bestek MDL/10C01), geraamd op 17.093.810,55 euro incl. btw en bekendgemaakt in het Publicatieblad van de EU van 15 oktober 2010 en het Bulletin der Aanbestedingen van 18 oktober 2010. De opdracht had twee deelopdrachten: de renovatie, met het onderhoud tijdens de waarborgperiode, en het onderhoud na de definitieve oplevering, voor één jaar verlengbaar tot vijf jaar. Voor de rangschikking telde het bestek het renovatiebedrag op bij vijf keer het jaarbedrag voor onderhoud, plus btw. Bovendien moest de sluis tijdens de werken in principe in dienst blijven: van elk sluishoofd ten minste één deur en alle bruggen te allen tijde. Bij de opening op 14 december 2010 lagen er vijf offertes: Egemin (12.308.637,95 euro), Fabricom (13.859.191,40 euro), Cegelec (13.869.208,72 euro), VS&E (16.660.141,67 euro) en Spie (16.749.830,89 euro), alle bedragen incl. btw. Omdat Egemin 1,80 % onder het grensbedrag van artikel 110, § 4 van het KB van 8 januari 1996 lag, vroeg het Gewest een verantwoording van de totaalprijs. Egemin antwoordde nog dezelfde dag, 15 december 2010, met een brief zonder cijfers: jarenlange ervaring met renovaties van sluizen, stuwen en beweegbare bruggen, kennis van de site na plaatsbezoeken, offertes van erkende leveranciers en onderaannemers, en drie lopende, gelijkaardige projecten — de Van Cauwelaertsluis en de Kattendijksluis in Antwerpen en vijf sluiscomplexen op het Albertkanaal. Het gunningsverslag, opgesteld op 15 december 2010 en op 12 januari 2011 goedgekeurd door het afdelingshoofd, aanvaardde die verantwoording. Het verwees naar Egemins gerealiseerde projecten en haar expertise in engineering en elektromechanica, naar het feit dat haar prijs 11 % lager lag dan die van de tweede en derde inschrijver, en naar de vaststelling dat zij maar onder het grensbedrag was gezakt door de hoge prijs van VS&E. Ook de eenheidsprijzen werden onderzocht: Egemin bood ‘scherpe prijzen’ voor de elektrische uitrusting en het onderhoud, maar elektrische uitrusting was haar core business, de hoeveelheden klopten en er was geen speculatie te bespeuren. Dat alle offertes 2,55 à 27,99 % onder de raming lagen, verklaarde het bestuur doordat het voor zo’n zeldzaam en complex project niet over voldoende nauwkeurige elementen voor de raming had beschikt. Op 1 maart 2011 gunde de Vlaamse minister van Mobiliteit en Openbare Werken de opdracht aan Egemin, met een rangschikkingsbedrag van 12.548.146,80 euro tegenover 14.144.834,87 euro voor Fabricom. Fabricom kreeg de beslissing bij aangetekende brief van 17 maart 2011 en vorderde op 1 april 2011 de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid; Egemin kwam op 8 april tussen en de zaak werd op 14 april 2011 behandeld. De exceptie dat het verzoekschrift pas op 4 april zou zijn ingediend en dus laattijdig was, faalde: uit het griffiedossier bleek dat het op 1 april per fax en aangetekend was verzonden. Ten gronde verweet Fabricom het Gewest dat Egemins brief geen prijsverantwoording was maar een opsomming van algemeenheden, dat het bestuur die in enkele uren onmogelijk zorgvuldig kon hebben onderzocht, dat de aangehaalde projecten niet vergelijkbaar waren met een renovatie van een sluis die in dienst blijft, en dat de afwijkende eenheidsprijzen voor elektrische uitrusting en onderhoud een bevraging vereisten. De Raad volgde haar niet. Ook niet-cijfermatige gegevens kunnen een prijsverantwoording zijn, zeker voor een totaalprijs, en deze bleef op het eerste gezicht niet beperkt tot algemeenheden. Het verslag nam de verantwoording niet zomaar over, maar haalde er motieven uit en combineerde die met de bevindingen van het eigen prijsonderzoek; elementen die het niet overnam, zoals het ‘grondig onderzoek naar de specifieke problemen’, waren voor de beoordeling irrelevant. Dat het verslag dezelfde dag werd opgemaakt, deed er niet toe: er waren geen berekeningen nodig en het werd pas een maand later goedgekeurd. Of Egemin de referentieprojecten echt had uitgevoerd, moest het bestuur niet afzonderlijk nagaan, omdat het bestek getuigschriften van goede uitvoering vereiste. Expertise en synergieën met lopende opdrachten konden prima facie een ‘uitzonderlijk gunstige omstandigheid’ zijn in de zin van artikel 110, § 3, derde lid. Voor de eenheidsprijzen gold dat een bevraging alleen vereist is als het bestuur een offerte wegens abnormale prijzen wil afwijzen; hier had het die prijzen wel degelijk vergeleken met de raming en het gemiddelde. Het onderhoud maakte bovendien maar 0,4 % van de totaalprijs uit, en ook Fabricoms eigen prijs voor hoofdstuk 8 week sterk af van raming en gemiddelde. De Raad liet de tussenkomst van Egemin toe, verwierp de vordering en legde de kosten (175 euro) ten laste van Fabricom; Egemin droeg de kosten van haar tussenkomst (125 euro).

Waarom doet dit ertoe?

Dit arrest is het tegenstuk van de vele zaken waarin een aanbesteder een offerte te snel als abnormaal laag wegstuurt. Hier ging het om de omgekeerde klacht: een concurrent vond dat de aanbesteder een lage offerte te makkelijk had aanvaard. De Raad maakt duidelijk dat de beoordelingsruimte van het bestuur in die richting groot is. Een verantwoording hoeft niet in cijfers te zijn uitgedrukt, zeker niet als enkel de totaalprijs ter discussie staat, en expertise en synergieën met gelijkaardige lopende opdrachten mogen als ‘uitzonderlijk gunstige omstandigheid’ gelden. Het arrest toont ook welke elementen een aanvaarding robuust maken. Het bestuur steunde niet alleen op wat de inschrijver schreef, maar op een eigen analyse: een vergelijking van alle eenheidsprijzen met de raming en het gemiddelde, een controle van de hoeveelheden en de spreiding van de algemene kosten, en de vaststelling dat het grensbedrag vooral door een uitschieter naar boven was bepaald. Wie die motivering wil aanvechten, moet meer doen dan aantonen dat de inschrijver vaag bleef. Daarnaast bevestigt het arrest twee procedurele punten met praktisch gewicht: een vordering die op de laatste dag per fax en aangetekend wordt verzonden, is tijdig, en een aanbesteder hoeft geen verantwoording voor eenheidsprijzen te vragen zolang hij de offerte niet om die reden wil weren — al blijft hij verplicht de regelmatigheid van de prijzen zorgvuldig te onderzoeken.

De les

Bent u inschrijver en wilt u de aanvaarding van een lage concurrerende offerte aanvechten, richt u dan niet in de eerste plaats op de zwakte van de verantwoording van de concurrent, maar op de beoordeling van het bestuur. Heeft het een eigen prijsonderzoek gevoerd, de eenheidsprijzen vergeleken en uitgelegd waarom het grensbedrag is overschreden, dan is uw kans klein. Kijk ook naar uw eigen offerte voor u een post aanvalt: Fabricoms prijs voor het onderhoud week evengoed sterk af. Moet u zelf een lage prijs verantwoorden, dan mag dat ook met kwalitatieve argumenten, maar maak ze concreet: noem de referentieprojecten bij naam, leg uit welke synergieën er zijn en zorg dat ze aansluiten bij wat het bestek vraagt. Bent u aanbesteder, motiveer de aanvaarding van een lage prijs dan niet door de verantwoording over te schrijven, maar door ze te toetsen aan uw eigen analyse en enkel de argumenten te weerhouden die u zelf overtuigen. Leg uit waarom uw raming afwijkt als alle offertes eronder liggen. En let op de cijfers in uw eigen verslag: hier sprak de analyse van een verschil van 11 % met de tweede en derde offerte, terwijl het voorstel van beslissing 1 % vermeldde.

Te onthouden

  • Een prijsverantwoording kan ook uit niet-cijfermatige gegevens bestaan, zeker wanneer ze over de totaalprijs gaat.
  • Een offerte mag niet onregelmatig worden verklaard zonder de tijdig gegeven verantwoording eerst te onderzoeken (art. 110, § 4 KB 8 januari 1996).
  • Expertise en synergieën met gelijkaardige lopende opdrachten kunnen prima facie een ‘uitzonderlijk gunstige omstandigheid’ zijn (art. 110, § 3, derde lid).
  • Een bevraging over eenheidsprijzen is pas vereist als het bestuur de offerte wegens abnormale prijzen wil afwijzen, maar het blijft verplicht de regelmatigheid van de prijzen zorgvuldig te onderzoeken.
  • Liggen alle offertes onder de raming en beschikte het bestuur niet over voldoende nauwkeurige elementen om te ramen, dan verplicht die afwijking op zich niet tot verdere prijsverantwoordingen.
  • Kritiek op elementen van een verantwoording die het bestuur zelf niet in zijn motivering heeft opgenomen, is irrelevant.
  • Een UDN-verzoekschrift dat op de laatste dag per fax en aangetekend wordt verzonden, is tijdig.

Waarop letten

  • Het verschil tussen een verantwoording van de totaalprijs en een verantwoording van individuele eenheidsprijzen.
  • De rol van getuigschriften van goede uitvoering: ze ontslaan het bestuur van een afzonderlijke controle van de opgegeven referenties.
  • De berekening van het grensbedrag en de invloed van uitschieters naar boven en naar beneden.
  • Het gewicht van een post in de totaalprijs (hier 0,4 % voor het onderhoud) bij de beoordeling van een afwijkende eenheidsprijs.
  • De interne samenhang van het gunningsverslag en het voorstel van gemotiveerde beslissing.

Stel jezelf de vraag

Als inschrijver: richt uw kritiek zich op de verantwoording van de concurrent of op de manier waarop het bestuur die heeft beoordeeld? Weet u dat een prijsverantwoording voor de totaalprijs ook zonder cijfers kan volstaan, zolang ze niet beperkt blijft tot algemeenheden? Kunt u bij uw eigen lage prijs concrete referentieprojecten en synergieën aanwijzen die een ‘uitzonderlijk gunstige omstandigheid’ vormen? Hebt u nagegaan of uw eigen eenheidsprijzen voor de post die u bij de concurrent aanvalt, niet evengoed afwijken? Als aanbesteder: steunt uw aanvaarding van een lage prijs op een eigen analyse van eenheidsprijzen, hoeveelheden en algemene kosten, of enkel op de brief van de inschrijver? Hebt u uitgelegd waarom alle offertes onder uw raming liggen, en kloppen de percentages in uw gunningsverslag en uw voorstel van beslissing met elkaar?

Gerelateerde arresten

Over deze databank

De Raad van State is het hoogste administratieve rechtscollege in België. Bij geschillen over overheidsopdrachten — van de gunning van een contract tot de uitsluiting van een inschrijver — is het de Raad van State die in laatste instantie oordeelt. De arresten in deze databank zijn door TenderWolf samengevat in begrijpelijke taal, met concrete lessen voor inschrijvers en aanbestedende overheden. Bekijk alle arresten →