Wie zijn beslissing intrekt na een schorsing, betaalt alsnog de volledige rekening
Het Vlaamse Gewest trekt na een UDN-schorsing zelf de gunningsbeslissing in, maar wordt door de Raad van State toch volledig veroordeeld in de proceskosten van Profacts — én Ipsos betaalt 150 euro voor haar tussenkomst.
Wat gebeurde er?
In het najaar van 2022 gunt de Vlaamse minister van Mobiliteit en Openbare Werken perceel 1 van het 'Onderzoek Verplaatsingsgedrag in Vlaanderen en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest' aan Ipsos, en verklaart hij de offerte van Profacts onregelmatig. Profacts pikt dat niet en gaat in UDN bij de Raad van State. Bij arrest nr. 255.083 van 22 november 2022 wordt de gunningsbeslissing geschorst. De minister doet vervolgens wat in zo'n situatie de meest pragmatische zet lijkt: hij trekt op 9 december 2022 zelf de bestreden beslissing in. Daarmee verdwijnt het voorwerp van het annulatieberoep dat Profacts ondertussen ook had ingediend (op 1 december 2022). Het lijkt op een schoon einde voor de aanbestedende dienst: geen vernietiging op de rol, en de procedure kan opnieuw. Maar de Raad van State maakt op 26 oktober 2023 in een korte-debattenprocedure de eindafrekening. Het beroep wordt formeel verworpen wegens zonder voorwerp, maar de proceskosten worden volledig ten laste van het Vlaamse Gewest gelegd: 400 euro rolrecht, 48 euro bijdrage en 770 euro rechtsplegingsvergoeding aan Profacts. Bovendien moet ook tussenkomende partij Ipsos 150 euro kosten van haar tussenkomst dragen. De gedachte: wie haar eigen beslissing intrekt na een schorsing, geeft daarmee de facto toe dat de inschrijver gelijk had, en moet de proceskosten dragen.
Waarom doet dit ertoe?
Voor aanbestedende diensten is intrekking-na-schorsing een verleidelijke ontsnappingsroute: snel uit de procedure stappen, opnieuw beginnen, geen vernietigingsarrest in de jurisprudentie. Maar de kostenfactuur volgt mee — typisch tussen 800 en 1500 euro per dossier, los van eigen advocatenkosten. Voor inschrijvers is het tegenovergestelde signaal belangrijk: een intrekking is geen reden om geen rechtsplegingsvergoeding te vorderen. Voor tussenkomende partijen (de 'winnaar' van de oorspronkelijke gunning) is de les hard: meestappen aan de zijde van de aanbestedende dienst kost je standaard 150 euro, ook als het beroep zonder voorwerp wordt.
De les
Als aanbestedende dienst: reken altijd vooraf met de proceskosten als variabele in de kosten-batenanalyse rond intrekking versus doorvechten. Als inschrijver: vorder altijd de rechtsplegingsvergoeding, ook bij intrekking. Als tussenkomende partij: weeg af of een tussenkomst van 150 euro echt iets toevoegt — automatisch meegaan in elke procedure is duurder dan het lijkt.
Te onthouden
- Intrekking na een UDN-schorsing maakt het beroep zonder voorwerp — maar niet kostenvrij
- De aanbestedende dienst draagt standaard de volledige proceskosten van de verzoekende partij
- Ook de tussenkomende partij wordt veroordeeld in de kosten van haar eigen tussenkomst (150 euro)
- De rechtsplegingsvergoeding bedraagt 770 euro per partij volgens het basistarief
Waarop letten
- Intrekking is geen schikking — er is geen onderhandelingsruimte over wie de kosten draagt
- Voor tussenkomende partijen: meegaan in een UDN-procedure is geen vrijblijvende formaliteit
- Kostenveroordeling staat los van de inhoudelijke beoordeling — een schorsing volstaat als presumptie van ongelijk
Stel jezelf de vraag
Bij intrekking van een gunningsbeslissing na schorsing: heeft mijn dienst rekening gehouden met minstens 1.218 euro proceskosten per veroordeling (rolrecht + bijdrage + rechtsplegingsvergoeding)?
Gerelateerde arresten
Over deze databank
De Raad van State is het hoogste administratieve rechtscollege in België. Bij geschillen over overheidsopdrachten — van de gunning van een contract tot de uitsluiting van een inschrijver — is het de Raad van State die in laatste instantie oordeelt. De arresten in deze databank zijn door TenderWolf samengevat in begrijpelijke taal, met concrete lessen voor inschrijvers en aanbestedende overheden. Bekijk alle arresten →