Verwerping Nederlandstalig college

Optimistisch hergebruik gronden (60%) zonder kosten zeefwerk of grondverbetering verantwoordt abnormaal lage grondverzetprijzen niet

Arrest nr. 261252 · 31 oktober 2024 · XIVe kamer

De Raad van State verwerpt de vordering tegen de wering van een offerte voor riolerings- en wegeniswerken omdat de prijsverantwoording voor de totaalprijs en elf grondverzetposten terecht niet werd aanvaard: de inschrijver ging uit van een onvoldoende onderbouwd hergebruikpercentage van 60% zonder kosten voor zeefwerk of grondverbetering.

Wat gebeurde er?

CV Fluvius System Operator schreef via een openbare procedure een opdracht uit voor riolerings- en wegeniswerken in de Zandbergstraat, Harlemboislaan en zijstraten te Harelbeke. Het betrof een opdracht met gemengde prijsvaststelling (deels globale prijs, deels prijslijst) met prijs als enig gunningscriterium. Vier inschrijvers dienden een offerte in. Na rekenkundige verbetering was BV W. de laagste met 6.838.922,60 EUR excl. btw, tegenover een raming van 6.810.258,13 EUR incl. btw. De tweede inschrijver (NV S.) zat op 8.274.909,52 EUR. De totaalprijs van BV W. lag meer dan 15% onder het gemiddelde, wat een verplicht prijsonderzoek uitlokte op grond van artikel 36, §4, KB 18 april 2017. Het ingenieurs-adviesbureau stelde ook vast dat dertien eenheidsprijzen vermoedelijk abnormaal laag waren (waarvan elf grondverzetposten) en twee vermoedelijk abnormaal hoog. BV W. werd een prijsverantwoording gevraagd voor de totaalprijs en vijftien eenheidsprijzen. De kern van het geschil lag bij de grondverzetposten. Het bestek bepaalde dat het afzeven van gronden met meer dan 25% stenen en het eventueel verbeteren van gronden inbegrepen moesten zijn in de eenheidsprijzen voor afvoer en verwerking van grondoverschotten. BV W. hanteerde echter een fundamenteel andere benadering dan de andere inschrijvers: zij ging uit van een maximaal hergebruik van 60% van de uitgegraven gronden, nam geen kosten op voor zeefwerk of grondverbetering, en stelde dat de gronden overwegend zand tot zanderig waren. Bij de aanvullende bevraging erkende BV W. dat 'het eventueel vervangen van niet-herbruikbare grond in principe zonder significante meerprijs kan uitgevoerd worden' — een formulering die het ingenieurs-adviesbureau las als een voorbehoud voor het aanrekenen van meerkosten. Het ingenieurs-adviesbureau aanvaardde de prijsverantwoording niet voor de totaalprijs en de elf grondverzetposten. De bedenkingen: het hergebruikpercentage van 60% was niet onderbouwd met bodemonderzoek, er werd geen rekening gehouden met kosten voor zeven ondanks de aanwezigheid van steenresten in bepaalde bodemlagen, de selectieve uitgraving zonder vermenging van puin was te optimistisch, en de werkwijze voor het baanbed was onrealistisch. De prijsverantwoording voor de twee abnormaal hoge posten en twee andere abnormaal lage posten (553 en 581) werd wél aanvaard. BV W. voerde twee middelen aan. Het eerste middel had twee onderdelen: (1) de verwerende partij had de bewoordingen van BV W. ten onrechte als 'voorbehoud' gelezen, en (2) de beslissing om de prijsverantwoording niet te aanvaarden steunde niet op correcte feiten. De Raad behandelde eerst het tweede onderdeel en verwierp het: de aanbestedende overheid beschikte over een ruime beoordelingsruimte, het ingenieurs-adviesbureau had de benadering omstandig gemotiveerd, en de verzoekende partij keerde de bewijslast ten onrechte om — zij draagt als inschrijver de bewijslast van de normaliteit van haar prijzen. Over het eerste onderdeel (voorbehoud) oordeelde de Raad dat dit een overtollig motief betrof: aangezien de niet-aanvaarding van de prijsverantwoording voor totaalprijs en elf eenheidsprijzen overeind bleef, had BV W. geen belang meer bij het bekritiseren van het voorbehoud-motief. Het tweede middel — gericht tegen de gunningsbeslissing zelf — werd eveneens verworpen: een inschrijver wiens offerte terecht als substantieel onregelmatig is geweerd, heeft geen belang bij het aanvechten van de gunning aan een andere inschrijver.

Waarom doet dit ertoe?

Dit arrest illustreert de strikte toetsing bij prijsverantwoording voor grondverzetposten. Een inschrijver die uitgaat van een hoog hergebruikpercentage voor uitgegraven gronden zonder dit te onderbouwen met bodemonderzoek of andere objectieve gegevens, en die daarbij geen kosten opneemt voor zeefwerk en grondverbetering die volgens het bestek inbegrepen moeten zijn, draagt het risico dat zijn prijsverantwoording niet wordt aanvaard. De bewijslast voor de normaliteit van vermoedelijk abnormale prijzen ligt uitdrukkelijk bij de inschrijver — hij mag zich niet beperken tot vaagheden en algemeenheden maar moet specifiek, concreet en zo volledig mogelijk verantwoorden. Het arrest bevestigt ook de ruime beoordelingsruimte van de aanbestedende overheid bij het al dan niet aanvaarden van een prijsverantwoording, en het principe dat kritiek op een overtollig motief niet tot nietigverklaring kan leiden.

De les

Als inschrijver: onderbouw aannames over hergebruik van uitgegraven gronden met objectieve gegevens — bodemonderzoek, laboratoriumanalyses, gedocumenteerde ervaring op vergelijkbare terreinen. Neem altijd kosten voor zeefwerk en grondverbetering op in uw eenheidsprijzen als het bestek dat vereist, ook als u verwacht dat hergebruik mogelijk is. Vermijd formuleringen in uw prijsverantwoording die als voorbehoud voor meerkosten gelezen kunnen worden. Weet dat u de bewijslast draagt voor de normaliteit van uw prijzen. Als aanbestedende overheid: een optimistische prijsverantwoording zonder objectieve onderbouwing is een voldoende grond voor niet-aanvaarding.

Stel jezelf de vraag

Steunt uw prijsverantwoording voor grondverzetposten op objectief onderbouwde aannames over hergebruik? Hebt u kosten voor zeefwerk en grondverbetering opgenomen, ook als u verwacht dat dit minimaal zal zijn? Bevat uw prijsverantwoording formuleringen die als voorbehoud voor meerkosten gelezen zouden kunnen worden? Kunt u als aanbestedende overheid de bewijslast correct situeren bij de inschrijver?

Over deze databank

De Raad van State is het hoogste administratieve rechtscollege in België. Bij geschillen over overheidsopdrachten — van de gunning van een contract tot de uitsluiting van een inschrijver — is het de Raad van State die in laatste instantie oordeelt. De arresten in deze databank zijn door TenderWolf samengevat in begrijpelijke taal, met concrete lessen voor inschrijvers en aanbestedende overheden. Bekijk alle arresten →