Schorsing Nederlandstalig college

Een goedgekeurd RSZ-afbetalingsplan volstaat als bewijs van regularisatie — maar de aanbestedende overheid moet de regularisatiekans ook uitdrukkelijk bieden

Arrest nr. 263260 · 12 mei 2025 · XIVe kamer

De Raad van State schorst de gunning van een opdracht voor het onderhoud van poorten aan de Faculteit Diergeneeskunde van de Universiteit Gent omdat de aanbestedende overheid een inschrijver met een RSZ-schuld van meer dan 10.000 euro enkel heeft bevraagd over de uitzondering van artikel 68, paragraaf 1, eerste lid, 2° (tegenvorderingen op een overheid) maar hem nooit uitdrukkelijk de regularisatiekans heeft geboden die het derde lid van diezelfde bepaling voorschrijft — en omdat een goedgekeurd afbetalingsplan bij de RSZ op zich volstaat als bewijs van regularisatie, zonder dat de eerste aflossing al binnen vijf werkdagen moet zijn betaald.

Wat gebeurde er?

De Universiteit Gent schreef via onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking een overheidsopdracht voor diensten uit met als voorwerp 'Onderhoud poorten faculteit Diergeneeskunde', voor een duur van vier jaar. Drie ondernemingen werden uitgenodigd een offerte in te dienen. De verzoekende partij (BV D.) en een derde onderneming dienden effectief een offerte in. Bij de controle van het RSZ-attest bleek dat de BV D. een bijdrageschuld had van 10.063,26 euro — meer dan het drempelbedrag van 3.000 euro. Op 3 maart 2025 stuurde de Universiteit een e-mail aan de BV D. met de vraag of zij op een aanbestedende overheid of overheidsbedrijf schuldvorderingen bezat die zeker, opeisbaar en vrij van elke verbintenis tegenover derden waren, voor een bedrag van minstens 7.063,26 euro — de uitzondering bedoeld in artikel 68, paragraaf 1, eerste lid, 2°, van de wet van 17 juni 2016. De BV D. antwoordde dezelfde dag: 'Het document van RSZ verwacht ik eerstdaags'. Op 12 maart 2025 informeerde de Universiteit opnieuw naar het RSZ-document en stelde vast dat de schuld niet was aangezuiverd. De BV D. stuurde diezelfde dag een screenshot van de website checkinhoudingsplicht.be, waarop stond dat er op 12 maart 2025 geen verplichting tot inhouding op een factuur bestond. Op 18 maart 2025 liet de Universiteit weten dat de afwezigheid van inhoudingsplicht niet hetzelfde is als het in orde zijn voor overheidsopdrachten: de bijdrageschuld was nog steeds actueel. De BV D. antwoordde dezelfde dag dat zij in gesprek was met de RSZ over een afbetalingsplan dat zij eerstdaags zou ontvangen. Op 20 maart 2025 bezorgde de BV D. het door de RSZ goedgekeurde afbetalingsplan, waarbij de schuld — intussen opgelopen tot 11.325,73 euro — kon worden afgelost met maandelijkse stortingen van 1.888 euro, de eerste vóór 2 april 2025. Op 28 maart 2025 besliste de Universiteit de BV D. uit te sluiten op grond van artikel 62 van het koninklijk besluit van 18 april 2017, omdat de inschrijver niet had voldaan aan zijn verplichtingen inzake betaling van socialezekerheidsbijdragen en 'niet de bewijzen voorlegt dat hij dat afbetalingsplan strikt in acht neemt'. De opdracht werd aan de andere inschrijver gegund. In de bestreden beslissing werd vermeld dat de gunning 'onverwijld' moest worden voortgezet. De BV D. stelde op 14 april 2025 een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in. Bij beschikking van 15 april 2025 werd de procedurekalender vastgesteld. De terechtzitting vond plaats op 30 april 2025 om 11u. Staatsraad Patricia De Somere bracht als waarnemend voorzitter verslag uit en eerste auditeur Frederic Eggermont gaf een met het arrest eensluidend advies. De Raad oordeelde als volgt. De aanbestedende overheid had in haar e-mail van 3 maart 2025 enkel de vraag gesteld of de inschrijver zich in de situatie bevond van artikel 68, paragraaf 1, eerste lid, 2° — het bezitten van tegenvorderingen op een overheid. De navolgende e-mails bouwden op dezelfde mogelijke uitzonderingsgrond voort. Het derde lid van artikel 68, paragraaf 1, bevat echter een onderscheiden en bijkomende verplichting: de aanbestedende overheid moet elke ondernemer de kans geven om zich in de loop van de plaatsingsprocedure in regel te stellen ten opzichte van de sociale verplichtingen, hem daarvan uitdrukkelijk in kennis stellen en een termijn van vijf werkdagen geven om het bewijs van regularisatie te leveren. Die uitdrukkelijke kennisgeving was niet gebeurd. Ten overvloede oordeelde de Raad dat een goedgekeurd afbetalingsplan bij de RSZ op zich volstaat als bewijs van regularisatie. Anders dan in een advies van 29 juli 2021 van de commissie voor overheidsopdrachten (gepubliceerd op de BOSA-website) werd gesteld, lijkt artikel 68, paragraaf 1, derde lid, op het eerste gezicht niet te impliceren dat ook de eerste aflossing al binnen de vijf werkdagen moet zijn betaald. Het eerste middel was ernstig en de schorsing werd bevolen.

Waarom doet dit ertoe?

Dit arrest verduidelijkt twee belangrijke punten over de RSZ-verificatie bij overheidsopdrachten. Ten eerste: de regularisatiekans van artikel 68, paragraaf 1, derde lid, is een zelfstandige wettelijke verplichting die de aanbestedende overheid uitdrukkelijk moet naleven — een vraag over tegenvorderingen (eerste lid, 2°) vervangt niet de uitnodiging om te regulariseren. De aanbestedende overheid moet de inschrijver uitdrukkelijk in kennis stellen van zijn regularisatiemogelijkheid en hem een termijn van vijf werkdagen geven. Ten tweede: een door de RSZ goedgekeurd afbetalingsplan volstaat als bewijs van regularisatie, zonder dat de eerste aflossing al binnen die vijf werkdagen moet zijn betaald — hiermee wijkt de Raad af van een advies van de commissie voor overheidsopdrachten.

De les

Wanneer een inschrijver een RSZ-schuld heeft die het drempelbedrag overschrijdt, moet je als aanbestedende overheid twee stappen onderscheiden. Stap 1: controleer of de uitzonderingen van artikel 68, paragraaf 1, eerste lid, van toepassing zijn (drempelbedrag niet overschreden, of tegenvorderingen op een overheid). Stap 2: bied de inschrijver uitdrukkelijk de regularisatiekans van het derde lid — stel hem in kennis en geef hem vijf werkdagen om het bewijs van regularisatie te leveren. Een goedgekeurd RSZ-afbetalingsplan volstaat daarvoor; je mag niet bijkomend eisen dat de eerste aflossing al is betaald.

Stel jezelf de vraag

Heb ik de inschrijver met een RSZ-schuld niet alleen gevraagd naar mogelijke uitzonderingen op de uitsluitingsgrond, maar hem ook uitdrukkelijk in kennis gesteld van zijn regularisatiemogelijkheid en hem vijf werkdagen gegeven — en heb ik een goedgekeurd afbetalingsplan als voldoende bewijs aanvaard?

Over deze databank

De Raad van State is het hoogste administratieve rechtscollege in België. Bij geschillen over overheidsopdrachten — van de gunning van een contract tot de uitsluiting van een inschrijver — is het de Raad van State die in laatste instantie oordeelt. De arresten in deze databank zijn door TenderWolf samengevat in begrijpelijke taal, met concrete lessen voor inschrijvers en aanbestedende overheden. Bekijk alle arresten →