Kerkfabriek trekt de gunning van de restauratiewerken in: de afstand van kosten redt haar niet van het rolrecht en de bijdrage
Toen de Kerkfabriek Sint-Lambertus te Neeroeteren, kort voor de zitting over een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, haar gunningsbeslissing voor de restauratiewerken aan de kerk introk, werd het beroep van de afgewezen inschrijver in zijn geheel zonder voorwerp; de inschrijver deed ter zitting afstand van zijn kosten, maar de Raad van State maakt duidelijk dat men wél van zijn rechtsplegingsvergoeding kan afzien, niet van het rolrecht en de bijdrage — belastingen die hoe dan ook op de in het ongelijk gestelde kerkfabriek blijven rusten.
Wat gebeurde er?
De Kerkfabriek Sint-Lambertus te Neeroeteren, optredend als aanbesteder, gunde de overheidsopdracht voor werken ‘Restauratiewerken aan de Sint-Lambertuskerk, Fase 1: restauratiewerken aan het exterieur’ aan een derde en gunde ze niet aan de NV V., een afgewezen inschrijver. Die laatste stelde op 27 maart 2026 een vordering in tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de gunningsbeslissing en van de impliciete beslissing om de opdracht niet aan haar te gunnen. Nadat de zitting een eerste maal was vastgesteld op 22 april 2026, trok de kerkfabriek de bestreden gunningsbeslissing op 8 april 2026 in. Door die intrekking werd de vordering in haar geheel zonder voorwerp, ook wat de gevorderde schorsing van de impliciete niet-gunningsbeslissing betreft. Het geschil verschoof daarmee naar de kosten. Ter terechtzitting deed de raadsvrouw van de NV V. afstand van de kosten, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding. De Raad onderscheidde daarop twee soorten kosten. De rechtsplegingsvergoeding is een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en het ereloon van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij (artikel 30/1, § 1, van de gecoördineerde wetten), die door de betrokken partij in een processtuk of in een nota tot vereffening moet worden gevorderd (artikel 84/1 van de algemene procedureregeling); een partij kan er dus van afzien. Door die afstand had het eerder in het verzoekschrift begrote verzoek tot een rechtsplegingsvergoeding geen voorwerp meer, zodat de Raad zich daarover niet hoefde uit te spreken. Voor de overige kosten lag het anders. Het rolrecht (artikel 70, § 1, 2°, van de algemene procedureregeling) en de bijdrage aan het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand (artikel 66, 6°, en artikel 4, § 4, van de wet van 19 maart 2017) zijn belastingen in de zin van artikel 170 van de Grondwet, zoals het Grondwettelijk Hof bevestigde in zijn arresten nr. 124/2006 en nr. 22/2020. Krachtens artikel 68, derde en vijfde lid, van de algemene procedureregeling begroot de Raad de kosten en legt hij ‘in ieder geval het geheel van de kosten ten laste van de partij die ten gronde in het ongelijk wordt gesteld’. Geen van de partijen kan aan die regeling afbreuk doen of beletten dat de Raad zich erover uitspreekt. De Raad ‘verwierp’ dan ook formeel de vordering en verwees de kerkfabriek — die door de intrekking de in het ongelijk gestelde partij was — in het rolrecht van 200 euro en de bijdrage van 26 euro.
Waarom doet dit ertoe?
Dit arrest hoort thuis in een reeks zaken waarin een aanbesteder een betwiste gunning intrekt en het beroep daardoor zonder voorwerp wordt, maar het voegt er een scherp en vaak onbegrepen onderscheid aan toe. Niet alle ‘kosten’ in een procedure voor de Raad van State zijn van dezelfde aard. De rechtsplegingsvergoeding is een vergoeding tussen partijen: ze moet worden gevorderd en een partij kan er vrij van afzien. Het rolrecht en de bijdrage aan het fonds voor juridische tweedelijnsbijstand zijn daarentegen geen vergoedingen tussen partijen maar belastingen; daarover beschikken de partijen niet. Wie ze verschuldigd is, wordt door de wet bepaald: de partij die ten gronde in het ongelijk wordt gesteld, en bij een intrekking is dat de intrekkende overheid. Een afgewezen inschrijver die uit hoffelijkheid of strategie afstand doet van ‘de kosten’ kan dus zijn eigen rechtsplegingsvergoeding weggeven, maar kan de aanbesteder daarmee niet vrijpleiten van het rolrecht en de bijdrage — en de Raad moet die hoe dan ook ten laste van de verliezende partij leggen. Het arrest bevestigt tegelijk de bredere lijn: het intrekken van een gunningsbeslissing maakt de overheid tot de in het ongelijk gestelde partij. En het herinnert eraan dat ook een kerkfabriek een aanbesteder is die aan het aanbestedingsrecht en zijn contentieux onderworpen is.
De les
Maak het onderscheid tussen de rechtsplegingsvergoeding en de gerechtskosten in de strikte zin. Van uw rechtsplegingsvergoeding kunt u afstand doen, en als u dat ter zitting doet, spreekt de Raad zich er niet meer over uit. Maar het rolrecht en de bijdrage aan het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand zijn belastingen: daarover beschikt geen enkele partij, en de Raad legt ze sowieso ten laste van wie ten gronde in het ongelijk wordt gesteld. Trekt de aanbesteder de bestreden gunning in, dan is hij die verliezende partij. Bent u afgewezen inschrijver en wint u de facto doordat de gunning sneuvelt, weeg dan of u uw rechtsplegingsvergoeding echt wil weggeven — uw afstand bevrijdt de aanbesteder niet van het rolrecht en de bijdrage, maar wel van een vergoeding die voor u bestemd was. Bent u aanbesteder — en dat kan ook een kerkfabriek zijn — besef dan dat het intrekken van een betwiste gunning u tot de in het ongelijk gestelde partij maakt en u minstens het rolrecht en de bijdrage kost.
Te onthouden
- Trekt de aanbesteder de bestreden gunningsbeslissing in, dan wordt de vordering in haar geheel zonder voorwerp — ook de gevorderde schorsing van de impliciete beslissing om niet aan de verzoeker te gunnen.
- De rechtsplegingsvergoeding is een forfaitaire tegemoetkoming tussen partijen die moet worden gevorderd (art. 30/1, § 1 gecoördineerde wetten; art. 84/1 algemene procedureregeling); een partij kan er ter zitting afstand van doen.
- Het rolrecht en de bijdrage aan het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand zijn belastingen in de zin van art. 170 Grondwet (GwH nr. 124/2006 en nr. 22/2020); daarover kunnen de partijen niet beschikken.
- De Raad legt ‘in ieder geval het geheel van de kosten’ ten laste van de partij die ten gronde in het ongelijk wordt gesteld (art. 68, vijfde lid, algemene procedureregeling) — bij een intrekking is dat de intrekkende overheid.
- Hier: afstand van de kosten door de inschrijver belet niet dat de kerkfabriek het rolrecht van 200 euro en de bijdrage van 26 euro draagt; een kerkfabriek is een aanbesteder als een ander.
Waarop letten
- De verwarring tussen de rechtsplegingsvergoeding (waarvan men kan afzien) en het rolrecht en de bijdrage (belastingen die men niet kan kwijtschelden).
- Een ondoordachte afstand van ‘de kosten’ ter zitting waarmee u enkel uw eigen rechtsplegingsvergoeding weggeeft.
- Het gegeven dat de intrekking de overheid tot de in het ongelijk gestelde partij maakt, ook zonder inhoudelijk oordeel.
- De vaststelling dat ook een kerkfabriek als aanbesteder aan het aanbestedingscontentieux en zijn kostenregeling onderworpen is.
Stel jezelf de vraag
Weet u dat u in een procedure voor de Raad van State wél afstand kunt doen van uw rechtsplegingsvergoeding, maar niet van het rolrecht en de bijdrage, omdat die belastingen zijn waarover de partijen niet beschikken? Beseft u dat de Raad het rolrecht en de bijdrage hoe dan ook ten laste legt van de partij die ten gronde in het ongelijk wordt gesteld — bij een intrekking de intrekkende overheid? Hebt u, als afgewezen inschrijver die afstand overweegt van ‘de kosten’, voor ogen dat u daarmee enkel uw eigen rechtsplegingsvergoeding weggeeft en de aanbesteder niet vrijpleit? En als aanbesteder, ook als kerkfabriek: weet u dat het intrekken van een betwiste gunning u tot de verliezende partij maakt, met minstens het rolrecht en de bijdrage als gevolg?
Gerelateerde arresten
Over deze databank
De Raad van State is het hoogste administratieve rechtscollege in België. Bij geschillen over overheidsopdrachten — van de gunning van een contract tot de uitsluiting van een inschrijver — is het de Raad van State die in laatste instantie oordeelt. De arresten in deze databank zijn door TenderWolf samengevat in begrijpelijke taal, met concrete lessen voor inschrijvers en aanbestedende overheden. Bekijk alle arresten →