Badminton in de stelplaats volstaat niet: een brandweerkazerne is geen publieke sporthal, en Farys mocht de ontwerper met één referentie te weinig weren
Het bestek van Farys voor het ontwerp van een nieuwe sporthal in Pittem eiste twee referenties van een ‘naar omvang en type gelijkaardig ontwerp voor de bouw of renovatie van een publieke sporthal’; toen een inschrijver zijn brandweerkazerne in Lokeren als tweede referentie verdedigde omdat de brandweer er badminton en basketbal speelt, oordeelde de Raad van State dat ‘gelijkaardig’ slaat op de sporthal en niet op het gebouw in het algemeen, en verwierp hij de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid met een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro ten laste van de inschrijver.
Wat gebeurde er?
De opdrachthoudende vereniging Farys schreef een overheidsopdracht voor diensten uit voor het aanstellen van een ontwerper voor de bouw van een nieuwe sporthal naast de bestaande hal op sportsite De Molen, Egemstraat 47 te Pittem. Het bestek S-182-25-000 koos voor een openbare procedure volgens artikel 36 van de Overheidsopdrachtenwet, met één perceel, Europees en nationaal bekendgemaakt. De gemeente Pittem legde een investeringsbudget van 5.000.000 euro exclusief btw vast — uitdrukkelijk ‘de financiële grens waarbinnen het ontwerp dient te worden ontwikkeld’, met substantiële overschrijdingen die niet worden toegestaan. De ontwerper zou worden vergoed via een ereloonpercentage binnen een vork van 6 tot 10 procent, en na het voorontwerp lastte het bestuur een beslissingsmoment in: de deelopdrachten 2 tot en met 5 zouden pas, gedeeltelijk of helemaal niet worden afgeroepen naargelang van de goedkeuring van het project. Voor de kwalitatieve selectie vroeg punt 14.2 van het bestek twee dingen: een attest van inschrijving bij de Orde van Architecten, en ‘minstens twee relevante referenties (inclusief tevredenheidsattest), waaruit blijkt dat de ontwerper-architect uit het inschrijvend ontwerpteam binnen de laatste vijf jaar instond voor een naar omvang en type gelijkaardig ontwerp voor de bouw of renovatie van een publieke sporthal, telkens voor een minimaal uitvoeringsbedrag van € 3 500 000 (excl. btw)’. Farys motiveerde die afwijkende termijn van vijf jaar uitdrukkelijk op grond van artikel 68, § 4, 1°, b van het KB van 18 april 2017: de gevraagde referenties zijn relatief specifiek, en de COVID-pandemie had de bouwsector jarenlang getekend. Processen-verbaal van voorlopige of definitieve oplevering werden niet als tevredenheidsattest aanvaard, en wie voor selectie in aanmerking wilde komen, moest aan álle criteria voldoen. De verzoekende partij — in het arrest geanonimiseerd tot ‘de BV A.’ — diende tijdig een offerte in. Op 20 april 2026 vroeg Farys per e-mail verduidelijking bij haar referenties: voor ‘Gemeentelijke basisschool De Rekke: nieuwbouw van basisschool met sporthal’ het aandeel van de sporthal in het totale uitvoeringsbedrag, en voor ‘School Odisee Aalst: renovatie gevel, sanitaire lokalen, daken diverse campussen’ welke werken precies op de sporthallen sloegen, plus een ondertekend tevredenheidsattest. Over twee andere referenties was Farys meteen duidelijk: ‘Nieuwbouw brandweerkazerne Lokeren’ en ‘MRCC Oostende: renovatie en herinrichting gebouw MRCC’ voldeden niet, omdat ze geen sporthal omvatten. Op 29 april 2026 verdedigde de inschrijver de brandweerkazerne. Het gebouw heeft overspanningen van meer dan 34 meter, ‘hetgeen overeenkomt met een sporthal’; het bevat onthaal, kantoren, vergaderlokalen, een EHBO-lokaal, technische lokalen, kleedruimten met douches en sanitair, een cafetaria met keuken en een polyvalente zaal met fitness. En, voegde de zaakvoerder eraan toe: ‘In de stelplaats beoefen[t] de brandweer sport met wegneembare netten, badminton, en basketbal met vaste ring. Wij doen dat in al onze brandweerkazernes.’ Farys liet zich niet overtuigen. Op 3 juni 2026 besliste de algemene directie om de inschrijver niet te selecteren: slechts één van zijn referenties voldeed aan de vereisten. Het gunningsverslag zette vier essentiële verschillen op een rij tussen een brandweerkazerne en een publieke sporthal. Het verschil in kernfunctie en gebruikersintensiteit: een kazerne is in de eerste plaats een operationeel, intern gericht gebouw waarvan de sportruimte niet de hoofdfunctie is en dat door een beperkte groep wordt gebruikt, terwijl een sporthal is ontworpen voor intensief en nagenoeg continu gebruik door scholen, clubs, recreanten en evenementen. Het verschil in publiek karakter en toegankelijkheid. Het verschil in complexiteit van gebruikersstromen — snelle interventieroutes tegenover de gelijktijdige circulatie van sporters, toeschouwers en personeel, met een noodzakelijke scheiding tussen natte en droge circuits en piekstromen bij wedstrijden. En ten slotte de sporttechnische normering: ventilatie afgestemd op hoge fysieke inspanning en wisselende bezettingsgraad, beheersing van galm en geluid bij bal- en groepssporten, verblindingsvrije verlichting volgens sportnormen. De beslissing werd op 18 juni 2026 aangetekend en per e-mail betekend, samen met een uittreksel van de selectiebeslissing. Op 3 juli 2026 vorderde de inschrijver de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van zowel de niet-selectiebeslissing als van een eventueel intussen genomen gunningsbeslissing. Bij beschikking van 6 juli werd de procedurekalender vastgelegd; de zitting vond plaats op 23 juli 2026, waar de zaakvoerder zelf verscheen. Het enige middel viel of stond met één lezing van het bestek. Volgens de inschrijver volgde uit de bewoordingen van het selectiecriterium niet dat de referenties betrekking moesten hebben op een publieke sporthal als dusdanig: ‘gelijkaardig’ zou slaan op de aard van het gebouw, zodat elk gebouw dat min of meer op een sporthal lijkt in aanmerking kwam. De Raad van State verwierp die kernveronderstelling. De bewoordingen lijken integendeel duidelijk: het moet wel degelijk gaan om een ontwerp voor de bouw of renovatie van een publieke sporthal, en het woord ‘gelijkaardig’ heeft betrekking op die sporthal — de referentiesporthal moet gelijkaardig zijn aan de te ontwerpen sporthal, en ze moet publiek toegankelijk zijn. In de formulering van het arrest: het diende ab initio te gaan om gelijkaardige sporthallen, niet om gelijkaardige gebouwen. Daarbij hoort de tweede eis, het minimale uitvoeringsbedrag van 3.500.000 euro exclusief btw. De Raad keek ook in de offertes van de andere inschrijvers, die Farys vertrouwelijk had neergelegd en die hij mocht inkijken. Daaruit bleek, minstens op het eerste gezicht, dat die elk wél minstens twee referenties over de realisatie van sporthallen hadden voorgelegd; enkel de verzoekende partij kwam met één sporthal-referentie en daarnaast een brandweerkazerne. Het verweer dat Farys in de beoordelingsfase nieuwe criteria zou hebben ingevoerd, hield evenmin stand: wat in het gunningsverslag staat, is een toelichting bij een criterium dat al in het bestek was opgenomen, namelijk de vereiste dat een publieke sporthal als referentieproject wordt voorgesteld. Ten gronde oordeelde de Raad dat een brandweerkazerne op het eerste gezicht niet vergelijkbaar is met een publieke sporthal: de wezenlijk verschillende bestemming, functionele inrichting, programmatorische vereisten, gebruikersprofielen en technische noden maken dat beide types gebouwen een eigen ontwerpbenadering vergen. De vier argumenten van Farys leken prima facie deugdelijk, draagkrachtig en voldoende om het besluit te dragen. Ook het tegenargument dat die verschillen enkel de exploitatie betreffen en niet de architecturale of technische ontwerpbekwaamheid, sneuvelde: hoe een gebouw zal worden gebruikt, welke gebruikersstromen het moet verwerken en aan welke functionele vereisten het moet beantwoorden, maken onlosmakelijk deel uit van de ontwerpuitdaging. Het enige middel bleek niet ernstig. Op 27 juli 2026 verwierp de Raad de vordering en verwees hij de verzoekende partij in de kosten: een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 26 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, verschuldigd aan Farys.
Waarom doet dit ertoe?
De vraag waar dit arrest op neerkomt, lijkt taalkundig, maar ze bepaalt in de praktijk wie mag meedoen: waar hangt het woord ‘gelijkaardig’ aan vast? De inschrijver las het als een adjectief bij ‘gebouw’ — alles wat genoeg op een sporthal lijkt, telt mee. De Raad leest het als een adjectief bij ‘sporthal’: de referentiehal moet gelijkaardig zijn aan de te ontwerpen hal. Zodra een bestek een gebouwtype bij naam noemt, staat dat type vast en gaat ‘gelijkaardig’ over de omvang en het type bínnen die categorie, niet over de grens ervan. De kernzin van het arrest — het moest ab initio gaan om gelijkaardige sporthallen, niet om gelijkaardige gebouwen — is een bruikbare vuistregel voor elke referentie-eis die u leest of schrijft. Het arrest is ook interessant om wat de Raad nadrukkelijk níét aanvaardt: de redenering dat een aanbesteder die in zijn gunningsverslag uitlegt waarom een referentie niet volstaat, daarmee nieuwe criteria invoert. Toelichten is niet toevoegen. Het onderscheid is subtiel maar reëel: wie een bestaand criterium concreet maakt, motiveert; wie een eis toevoegt die niemand in het bestek kon lezen, schendt de transparantie. Farys bleef aan de goede kant van die lijn precies omdat de vier verschillen die het aanhaalde — kernfunctie, publiek karakter, gebruikersstromen en sporttechnische normering — allemaal invullingen zijn van wat ‘publieke sporthal’ betekent. Vermeldenswaard is verder hoe de Raad de vertrouwelijk neergelegde offertes van de medeinschrijvers gebruikt. Hij mocht ze inkijken zonder ze aan de verzoekende partij prijs te geven, en stelde vast dat alle andere inschrijvers wél twee sporthal-referenties hadden. Dat is een stille maar krachtige vaststelling: ze toont dat de lat haalbaar was en ontkracht in één zin het verwijt dat het criterium de mededinging onredelijk zou beperken. Ten slotte de reikwijdte van de toetsing. De Raad beoordeelt niet of hij een brandweerkazerne zelf vergelijkbaar zou vinden met een sporthal; hij gaat na of het standpunt van de aanbesteder prima facie onredelijk, disproportioneel of onzorgvuldig is. Dat is de klassieke marginale toetsing, en ze werkt hier in het voordeel van de aanbesteder — net zoals ze in andere zaken, waar de motivering wél tekortschiet, in het voordeel van de inschrijver uitdraait.
De les
Voor inschrijvers: een referentie-eis die een gebouwtype bij naam noemt, laat zich niet met functionele analogieën omzeilen. Overspanningen van 34 meter, kleedkamers, een cafetaria en zelfs badminton in de stelplaats maken van een brandweerkazerne geen publieke sporthal. Ontbreekt u een referentie, dan hebt u twee echte opties, en allebei moeten ze vóór de indiening worden gelicht: stel tijdens de vragenronde de vraag of een aanverwant gebouwtype aanvaard wordt, of betwist de referentie-eis zelf als onevenredig — niet nadat u bent uitgesloten. Krijgt u nadien nog een verzoek om verduidelijking, gebruik dat dan om ontbrekende stukken aan te vullen; het is geen geschikt moment om een ontbrekende referentie te vervangen door een pleidooi. En reken op de kostenzijde: een verworpen UDN-vordering kostte hier 200 euro rolrecht, 26 euro bijdrage en 770 euro rechtsplegingsvergoeding. Voor aanbesteders: dit is hoe een selectiecriterium hoort te worden verdedigd. Farys noemde het gebouwtype expliciet (‘publieke sporthal’), koppelde er een meetbare drempel aan (minstens twee referenties, elk minstens 3.500.000 euro exclusief btw, binnen vijf jaar), motiveerde de afwijkende termijn van vijf jaar uitdrukkelijk op grond van artikel 68, § 4, 1°, b van het KB van 18 april 2017, en legde bij de afwijzing vier concrete, inhoudelijke verschillen uit in plaats van één formule. Wie zo werkt, hoeft zich achteraf niet te behelpen met uitleg die te laat komt. Let er wel op dat u toelicht en niet toevoegt: elk argument in uw beoordelingsverslag moet herleidbaar zijn tot een eis die al in het bestek stond.
Te onthouden
- Noemt een referentie-eis een gebouwtype bij naam (‘publieke sporthal’), dan slaat het woord ‘gelijkaardig’ op dat type en niet op de ruimere categorie gebouwen: het moest ab initio gaan om gelijkaardige sporthallen, niet om gelijkaardige gebouwen.
- Een aanbesteder die in zijn beoordelingsverslag uitlegt waarom een referentie niet volstaat, voert daarmee geen nieuw criterium in zolang die uitleg herleidbaar is tot een eis die al in het bestek stond.
- De wijze waarop een gebouw zal worden gebruikt — gebruikersstromen, functionele vereisten, normering — is geen louter exploitatiegegeven maar maakt onlosmakelijk deel uit van de ontwerpuitdaging, en telt dus mee bij de beoordeling van ontwerpreferenties.
- De Raad mocht de vertrouwelijk neergelegde offertes van de andere inschrijvers inkijken; daaruit bleek dat alle andere inschrijvers wél twee sporthal-referenties hadden voorgelegd.
- Bij UDN onderzoekt de Raad enkel of een ernstig middel of een klaarblijkelijke onwettigheid wordt aangevoerd (art. 17, §§ 1, 5 en 6 gecoördineerde wetten, samen met artt. 15 en 31 wet 17 juni 2013).
- De vordering werd verworpen; de inschrijver betaalt 200 euro rolrecht, 26 euro bijdrage en 770 euro rechtsplegingsvergoeding aan Farys.
Waarop letten
- Het verschil tussen toelichten van een bestaand criterium (toegestaan) en toevoegen van een nieuw criterium in de beoordelingsfase (niet toegestaan).
- De afwijkende referentietermijn van vijf jaar, die Farys uitdrukkelijk motiveerde op grond van art. 68, § 4, 1°, b KB 18 april 2017 — een motivering die in het bestek zelf moet staan.
- Dat processen-verbaal van voorlopige of definitieve oplevering volgens dit bestek níét als tevredenheidsattest werden aanvaard.
- Dat een verzoek om verduidelijking geen tweede kans is om een ontbrekende referentie te vervangen.
- De marginale toetsing: de Raad beoordeelt niet zelf of de gebouwen vergelijkbaar zijn, maar of het standpunt van de aanbesteder prima facie onredelijk, disproportioneel of onzorgvuldig is.
Stel jezelf de vraag
Als u een referentie-eis schrijft: noemt u het gebouwtype of de opdrachtsoort expliciet, en is duidelijk waar het woord ‘gelijkaardig’ aan vasthangt — aan het type zelf of aan de omvang binnen dat type? Kunt u, mocht u een referentie afwijzen, uw motivering herleiden tot een eis die al in het bestek stond? Hebt u nagegaan of andere inschrijvers wél aan de eis kunnen voldoen, zodat de proportionaliteit ervan aantoonbaar is? En als inschrijver: hebt u uw referenties woord voor woord tegen het selectiecriterium gelegd vóór u indiende, en de vragenronde gebruikt om twijfel weg te nemen in plaats van ze te bewaren voor een procedure?
Gerelateerde arresten
Over deze databank
De Raad van State is het hoogste administratieve rechtscollege in België. Bij geschillen over overheidsopdrachten — van de gunning van een contract tot de uitsluiting van een inschrijver — is het de Raad van State die in laatste instantie oordeelt. De arresten in deze databank zijn door TenderWolf samengevat in begrijpelijke taal, met concrete lessen voor inschrijvers en aanbestedende overheden. Bekijk alle arresten →