Een kinderdagverblijf-vzw is geen administratieve overheid: de UDN-vordering tegen de architectuuropdracht strandt op rechtsmacht — en op een intrekking die geen van beide partijen meldde
Drie afgewezen ontwerpteams vroegen bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de toewijzing aan CZAAR van de architectuuropdracht voor de renovatie van kinderdagverblijf De B’Engeltjes in Herent, maar de Raad van State verwerpt hun vordering op twee gronden: de vzw had de bestreden beslissing al op 15 juli 2026 ingetrokken — iets wat geen van beide partijen vooraf meldde en wat de Raad tegenover de verwerende partij ‘misplaatst’ en ‘deloyaal’ noemt — en een vzw die geen beslissingen kan nemen die derden binden, is op het eerste gezicht geen administratieve overheid, zodat niet de Raad maar de gewone rechter de bevoegde verhaalinstantie is.
Wat gebeurde er?
De vzw Kinderdagverblijf De B’Engeltjes schreef een opdracht uit voor het ‘Ontwerp, controle van de uitvoering en bijstand bij de oplevering bij de renovatie kinderdagverblijf De B’Engeltjes […] Herent (Veltem)’. Acht kandidaten dienden zich aan, onder wie de drie verzoekende vennootschappen — in het arrest geanonimiseerd tot de BV K., de BV I. en de BV A. Op 24 juni 2026 meldde de voorzitter van het bestuursorgaan per e-mail dat ‘[n]a grondig overleg en bespreking met het bestuur [is] bepaald welk ontwerp het best aansloot bij [hun] verwachtingen’. De bijgevoegde beslissing hield het even kort: ‘Na vergelijking van de ingediende ontwerpen en de beoordelingscriteria verkiest het bestuur het voorstel van CZAAR.’ Op 7 juli 2026 vorderden de drie bureaus de schorsing van die toewijzing bij uiterst dringende noodzakelijkheid. De procedurekalender werd bij beschikking van 8 juli vastgesteld en de zaak kwam op 28 juli 2026 om 11 uur voor. Pas op de zitting kwam aan het licht dat de vzw haar beslissing al op 15 juli 2026 had ingetrokken. Geen van beide partijen had de Raad daarvan verwittigd. De verwerende partij vond dat niet ter zake doen, gelet op haar exceptie van gebrek aan rechtsmacht — een houding waarmee zij volgens de Raad vooruitloopt op zijn oordeel en die hij ‘niet alleen misplaatst, maar ook deloyaal’ noemt. De verzoekende partijen kenden de intrekking evengoed: zíj legden de beslissing van 15 juli ter zitting neer, zonder enige verantwoording waarom ook zij hadden gezwegen. Hoe dan ook was de vordering tot schorsing daarmee zonder voorwerp en dus niet-ontvankelijk. De Raad behandelt vervolgens toch de exceptie van rechtsmacht, omdat die de kostenverdeling beïnvloedt. Artikel 24, eerste lid, van de wet van 17 juni 2013 verdeelt de verhaalprocedures inzake overheidsopdrachten over twee rechters: de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State wanneer de aanbestedende instantie een overheid is in de zin van artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten, en de gewone rechter wanneer dat niet zo is. Een privaatrechtelijke vereniging die geen beslissingen kan nemen die derden binden, heeft op het eerste gezicht niet de aard van een administratieve overheid — ook niet wanneer zij door de overheid is opgericht of erkend, onder overheidscontrole staat of een taak van algemeen belang vervult. De vzw noemt zichzelf in het bestek weliswaar ‘aanbestedende organisatie’, maar zij is een privaatrechtelijke rechtspersoon, en prima facie blijkt uit niets dat zij derden eenzijdig kan binden; de verzoekende partijen beweerden dat zelfs niet. Dat zij bij de voorbereiding en het nemen van de toewijzingsbeslissing de regelgeving op de overheidsopdrachten heeft toegepast, verandert daar niets aan: die regelgeving kan ook op privaatrechtelijke personen van toepassing zijn, en de bestreden beslissing strekt er enkel toe een opdracht al dan niet toe te wijzen aan inschrijvers die vrijwillig een contractuele band met de vzw wilden aangaan. De Raad besluit dat hij op het eerste gezicht zonder rechtsmacht is en dat de ernstige exceptie eveneens de verwerping van de vordering verantwoordt. De kostenregeling volgt uit die twee vaststellingen samen. Het voorlopig vastgestelde gebrek aan rechtsmacht rechtvaardigt dat de rolrechten en de bijdrage voor het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand ten laste van de verzoekende partijen komen: een rolrecht van 600 euro, elk voor een derde, en een bijdrage van 26 euro. Maar de combinatie van dat gebrek aan rechtsmacht enerzijds en de intrekking anderzijds maakt dat er geen ‘in het gelijk gestelde partij’ is in de zin van artikel 30/1, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten. Niemand krijgt dus een rechtsplegingsvergoeding. Over de gunningsbeslissing zelf — en over de wel erg beknopte motivering ervan — heeft de Raad zich niet uitgesproken.
Waarom doet dit ertoe?
Voor wie meedingt naar opdrachten van vzw’s — kinderdagverblijven, scholen, woonzorgcentra, culturele instellingen, ziekenhuizen — is dit arrest een waarschuwing die geld en tijd kost. Het onderscheid waar alles om draait, is dat tussen twee begrippen die in de praktijk voortdurend door elkaar worden gehaald. Of een organisatie een ‘aanbestedende overheid’ is in de zin van de overheidsopdrachtenwetgeving, en of zij een ‘administratieve overheid’ is in de zin van artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zijn twee verschillende vragen met twee verschillende antwoorden. De eerste bepaalt welke regels zij bij het plaatsen van haar opdracht moet volgen. De tweede bepaalt bij welke rechter u terechtkunt als zij die regels schendt. Artikel 24 van de wet van 17 juni 2013 knoopt de keuze van de verhaalinstantie uitdrukkelijk vast aan die tweede vraag. De toets die de Raad hanteert is oud en smal: kan de rechtspersoon eenzijdig beslissingen nemen die derden binden? Zo niet, dan is hij prima facie geen administratieve overheid — en daaraan verandert het niets dat hij door de overheid is opgericht of erkend, dat hij onder overheidscontrole staat, dat hij een taak van algemeen belang vervult, of dat hij de overheidsopdrachtenreglementering netjes toepast. Dat laatste punt verdient nadruk, want het is precies wat inschrijvers op het verkeerde been zet: een bestek dat spreekt over ‘de aanbestedende organisatie’, gunningscriteria, percelen en een standstill-termijn oogt als een overheidsprocedure. Het is het ook, wat de plaatsingsregels betreft. Alleen zit de rechter elders. Het kostenplaatje maakt de les concreet. De drie bureaus dragen samen 600 euro rolrecht en 26 euro bijdrage, en dat is het kleinste deel van de schade: de dagen die in een UDN-procedure voor de verkeerde rechter zijn opgegaan, kunnen niet worden teruggedraaid. Wie zich in de verhaalinstantie vergist, verliest vooral de snelheid die het hele UDN-mechanisme moet bieden. Daarnaast bevat dit arrest een zeldzame en scherpe passage over de loyauteit van partijen tegenover de rechter. De bestreden beslissing was al dertien dagen vóór de zitting ingetrokken, en beide kampen wisten dat. De vzw vond het niet ter zake doen omdat zij toch meende dat de Raad onbevoegd was — een houding die volgens de Raad vooruitloopt op zijn oordeel en ‘niet alleen misplaatst, maar ook deloyaal’ is. De verzoekende partijen, die het intrekkingsbesluit zelf ter zitting neerlegden, gaven geen enkele verklaring voor hun stilzwijgen. De Raad koppelt aan die vaststellingen geen uitdrukkelijke sanctie, maar het resultaat is wel dat niemand een rechtsplegingsvergoeding krijgt: door de samenloop van het gebrek aan rechtsmacht en de intrekking is er eenvoudigweg geen in het gelijk gestelde partij. Vergelijk dat met de gewone uitkomst bij een intrekking, waar de aanbesteder als verkapt vernietigde partij de kosten draagt — hier levert de intrekking de verzoekers niets op.
De les
Controleer vóór u een verhaal instelt wie er tegenover u staat, en doe dat op de juiste toets. Niet: past deze organisatie de overheidsopdrachtenwetgeving toe? Wel: kan zij eenzijdig beslissingen nemen die derden binden? Is het antwoord neen — en dat is bij de meeste vzw’s zo, ook als ze door de overheid zijn opgericht, erkend, gesubsidieerd of gecontroleerd en een taak van algemeen belang vervullen — dan is de gewone rechter uw verhaalinstantie, doorgaans in kort geding, en niet de Raad van State. Laat u niet misleiden door een bestek dat zichzelf ‘aanbestedende organisatie’ noemt of door een kennisgeving die naar de Raad van State verwijst: zulke aanduidingen binden de rechter niet. Twijfelt u, weeg dan af of u het risico neemt van een UDN-procedure waarin u eerst dagen verliest en daarna alsnog naar de burgerlijke rechter moet — de standstill-termijn loopt ondertussen door. En verwittig de Raad onmiddellijk wanneer de bestreden beslissing wordt ingetrokken; wachten tot de zitting levert u niets op en wordt u aangerekend in de sfeer van de procedure. Bent u een vzw of een andere privaatrechtelijke aanbesteder, dan is de spiegelbeeldige les even belangrijk. Dat de Raad van State geen rechtsmacht heeft, betekent niet dat u vrijuit gaat: de plaatsingsregels blijven gelden en de burgerlijke rechter kan uw gunning even goed doorprikken. Speel de exceptie bovendien loyaal: een intrekking verzwijgen omdat u meent dat de rechter toch onbevoegd is, wordt niet gewaardeerd. En let op uw motivering — ‘het bestuur verkiest het voorstel van CZAAR’ na ‘grondig overleg’ vertelt een afgewezen inschrijver niets over de toepassing van de beoordelingscriteria. De Raad kwam daar in dit arrest niet aan toe, maar een andere rechter kan dat wél doen.
Te onthouden
- Artikel 24, eerste lid, van de wet van 17 juni 2013 verdeelt de verhaalprocedures: de Raad van State is bevoegd wanneer de aanbestedende instantie een overheid is in de zin van artikel 14, § 1 van de gecoördineerde wetten; is dat niet zo, dan is de gewone rechter de verhaalinstantie.
- De toets voor ‘administratieve overheid’ is de bevoegdheid om eenzijdig beslissingen te nemen die derden binden. Oprichting of erkenning door de overheid, overheidscontrole en een taak van algemeen belang volstaan niet.
- Dat een privaatrechtelijke vzw de overheidsopdrachtenreglementering toepast, maakt haar geen administratieve overheid: die regelgeving kan ook op privaatrechtelijke personen slaan, en een toewijzingsbeslissing raakt enkel inschrijvers die vrijwillig een contractuele band zochten.
- De beoordeling gebeurt hier prima facie, in het kader van een UDN-procedure; de Raad spreekt van een ‘ernstige’ exceptie die de verwerping verantwoordt, niet van een definitieve uitspraak over zijn rechtsmacht.
- De intrekking van de bestreden beslissing op 15 juli 2026 maakte de UDN-vordering zonder voorwerp en dus niet-ontvankelijk.
- Geen van beide partijen meldde die intrekking aan de Raad; tegenover de verwerende partij noemt hij die houding ‘niet alleen misplaatst, maar ook deloyaal’, en van de verzoekende partijen — die het stuk zelf ter zitting neerlegden — bleef elke verantwoording uit.
- Kosten: rolrecht van 600 euro, elk voor een derde ten laste van de drie verzoekende partijen, plus een bijdrage van 26 euro. Door de samenloop van gebrek aan rechtsmacht en intrekking is er geen ‘in het gelijk gestelde partij’ in de zin van artikel 30/1, § 1, eerste lid, zodat niemand een rechtsplegingsvergoeding krijgt.
- Over de inhoud van de gunningsbeslissing en over de beknopte motivering ervan heeft de Raad zich niet uitgesproken.
Waarop letten
- De rechtsvorm en de bevoegdheden van de aanbestedende instantie — niet haar benaming in het bestek (‘aanbestedende organisatie’) en niet de beroepsinstructie in de kennisgeving.
- Het onderscheid tussen ‘aanbestedende overheid’ (plaatsingsregels) en ‘administratieve overheid’ (bevoegde rechter): twee begrippen, twee antwoorden.
- De tijd die verloren gaat wanneer u bij de verkeerde rechter aanklopt, terwijl de standstill-termijn doorloopt.
- De verplichting om de rechter onmiddellijk te informeren wanneer de bestreden beslissing wordt ingetrokken — voor beide partijen.
- Dat een intrekking hier géén kostenvoordeel voor de verzoekers opleverde, anders dan in de klassieke situatie waarin de aanbesteder als verkapt vernietigde partij de kosten draagt.
- De motivering van de toewijzing: een verwijzing naar ‘grondig overleg’ en een voorkeur van het bestuur maakt de toepassing van de beoordelingscriteria niet controleerbaar.
Stel jezelf de vraag
Weet u of de organisatie die uw offerte afwees eenzijdige beslissingen kan nemen die derden binden — de toets die bepaalt of zij een administratieve overheid is in de zin van artikel 14, § 1? Beseft u dat ‘aanbestedende overheid’ in de overheidsopdrachtenwetgeving en ‘administratieve overheid’ in de wetten op de Raad van State twee verschillende begrippen zijn, en dat artikel 24 van de wet van 17 juni 2013 uw verhaalinstantie aan het tweede vastknoopt? Hebt u nagegaan of de verwijzing naar de Raad van State in de kennisgeving of het bestek wel klopt, in plaats van er blind op te varen? Weet u wat de standstill-termijn doet terwijl u bij de verkeerde rechter staat? En meldt u een intrekking van de bestreden beslissing meteen aan de rechter, of wacht u tot de zitting?
Gerelateerde arresten
Over deze databank
De Raad van State is het hoogste administratieve rechtscollege in België. Bij geschillen over overheidsopdrachten — van de gunning van een contract tot de uitsluiting van een inschrijver — is het de Raad van State die in laatste instantie oordeelt. De arresten in deze databank zijn door TenderWolf samengevat in begrijpelijke taal, met concrete lessen voor inschrijvers en aanbestedende overheden. Bekijk alle arresten →