‘Heldere duiding’, ‘nodige garanties’, ‘marktconform’: het GO! stelt vier abnormale prijzen vast en legt in drie woorden uit waarom ze toch normaal zijn — de Raad van State schorst
Het GO! merkte bij zijn raamovereenkomst Planbeheer alle vier de offertes als abnormaal aan, liet de laagste inschrijver haar bedrag na een ‘materiële vergissing’ van 153.540 naar 317.340 euro verdubbelen en aanvaardde de prijsverantwoordingen van de twee best gerangschikte inschrijvers met de vaststelling dat zij ‘een heldere duiding’ hadden verschaft — een motivering die de Raad van State als stijlformule bestempelde en die volstond om de gunning bij uiterst dringende noodzakelijkheid te schorsen op vordering van de derde gerangschikte.
Wat gebeurde er?
Het GO! Onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap schreef via de openbare procedure een dienstenopdracht uit met als voorwerp ‘Raamovereenkomst – Planbeheer’: het actueel houden van de verdiepingsplannen en bijhorende gegevens in het Facilitair Management Informatie Systeem FMIS, en van de puntenwolken en het fotomateriaal in de Orbit viewer. Het GO! trad daarbij op als opdrachtencentrale in de zin van artikel 2, 4°, van de Overheidsopdrachtenwet, voor alle scholengroepen en voor zichzelf. Het bestek met referentie GO/ROV/001PLANB/2026/7143/PB betrof een opdracht volgens prijslijst en bepaalde een maximale waarde van 1.300.000 euro inclusief btw over de gehele looptijd, met de uitdrukkelijke waarschuwing dat dat plafond niet was berekend op de vermoedelijke hoeveelheden uit de inventaris en dus geen indicatie vormde voor het offertebedrag. De opdracht werd gegund op de beste prijs-kwaliteitsverhouding: prijs 60 punten volgens de formule Pmin/P, kwaliteit van het plan van aanpak 10 punten en een proof of concept 30 punten, dat laatste een opmeting en tekenwerk ter plaatse van een recent gewijzigd gebouw van ongeveer 1.000 vierkante meter, in kleur gescand, te toetsen aan de norm EN 15221-6 en uit te voeren op één halve dag. Tegen de uiterste datum van 27 mei 2026 om 11.00 uur kwamen vier offertes binnen. Exclusief btw bood onderneming G. 399.060,00 euro, onderneming V. 791.200,00 euro, de verzoekende partij O. 1.041.700,00 euro en de bv L.V.E. 153.540,00 euro. Het GO! vergeleek elke prijs met het gemiddelde van 596.375,00 euro en hanteerde een maximale afwijking van vijftien procent. Alle vier de offertes vielen buiten die band en werden in het verslag van nazicht als ‘abnormaal’ aangemerkt: O. lag 74,67 procent boven het gemiddelde, V. 32,67 procent boven, G. 33,09 procent onder en L.V.E. 74,25 procent onder. Op 2 juni 2026 vroeg het GO! aan L.V.E. een verantwoording op grond van artikel 36 van het koninklijk besluit van 18 april 2017, met bijzondere aandacht voor de eenheidsprijzen van de posten dataverzameling met en zonder ontruiming; diezelfde dag vroeg het aan G. bijkomende inlichtingen over haar prijsopbouw, waarop G. op 8 juni antwoordde. L.V.E. kaatste de bal terug: op 3 juni vroeg zij eerst verduidelijking over de draagwijdte van de posten, omdat zij onder de dataverzamelingsposten enkel de opmeting in situ en de verwerking van de meetdata had begrepen, zonder de volledige opmaak van het DXF-plan. Op 5 juni bevestigde het GO! dat die posten wél de volledige gecombineerde prestatie omvatten en dat de afzonderlijke post tekenwerk enkel geldt wanneer geen nieuwe opmeting nodig is. Op 10 juni diende L.V.E. haar prijsverantwoording in, waarin zij toelichtte dat zij de DXF-opmaak niet in die eenheidsprijzen had verrekend. Het GO! beschouwde dat als een materiële vergissing en verbeterde de offerte: omdat de prijzen voor het tekenwerk al bij de opening bekend waren, volstond een optelling. Het gecorrigeerde bedrag werd 317.340,00 euro exclusief btw, ofwel 383.981,40 euro inclusief btw — meer dan een verdubbeling van het geopende bedrag. Na die correctie verschoof het gemiddelde naar 637.325,00 euro en lag L.V.E. nog altijd 50,21 procent en G. 37,39 procent onder het gemiddelde. Het verslag van nazicht van 9 juli 2026 besloot: ‘Zowel inschrijver [L.V.E.] als inschrijver [G.] hebben daarbij tijdig een heldere duiding verschaft. Daaruit ook blijkt dat men de nodige garanties kan bieden voor de uitvoering van de opdracht. Dit laatste komt daarenboven ook aan bod bij het onderdeel proof of concept. Bovenstaand prijsonderzoek bevestigt dat de offertes marktconform zijn en geen abnormale prijzen bevatten.’ Alle vier de offertes werden regelmatig bevonden. De rangschikking werd L.V.E. 84 punten, G. 63,71, O. 50,28 en V. 28,07. Op 15 juli 2026 onderschreef de afgevaardigd bestuurder van het Gemeenschapsonderwijs dat voorstel en gunde de opdracht aan L.V.E.; O. werd op 16 juli in kennis gesteld en kreeg op 28 juli, met inachtneming van de vertrouwelijkheid, gedeeltelijk antwoord op haar vraag om bijkomende informatie. O. stelde op 30 juli 2026 een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in, met één middel in twee onderdelen: dat de prijsaanpassing van L.V.E. geen toegelaten verbetering van een materiële fout was maar een verboden wijziging van de offerte na opening, en dat de aanvaarding van de prijsverantwoordingen van de eerste én de tweede gerangschikte niet zorgvuldig was onderzocht noch draagkrachtig gemotiveerd. Het GO! en L.V.E. wierpen op dat O., als derde met een offerte van 1.260.457,00 euro inclusief btw tegenover 383.981,40 euro, geen belang had. De Raad verwierp die exceptie: het belang om opnieuw minstens een kans te maken volstaat, en omdat de kritiek ook de tweede gerangschikte raakte, kon een hernieuwd prijsonderzoek O. op de eerste plaats brengen. De Raad maakte eerst een procedurele opmerking. Sinds 1 januari 2025 verplicht artikel 7, § 1, van het koninklijk besluit van 19 november 2024 de verwerende partij om in haar nota met opmerkingen een samenvatting van haar eigen argumenten op te nemen wanneer het beantwoorden van de middelen een nadere uiteenzetting vergt, en die verplichting geldt ook bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Het GO! had wel de middelonderdelen van O. samengevat — die O. zelf al had samengevat — maar niet zijn eigen argumenten, verspreid over meerdere bladzijden. De Raad wees erop dat het hem niet toekomt in de plaats van die partij te doen wat zij moet doen, en dat het GO! moet verdragen dat de argumenten worden begrepen zoals de Raad ze verderop heeft begrepen. Ten gronde gaf de Raad het GO! op verscheidene punten gelijk. Dat O. de maximale waarde van 1.300.000 euro als raming behandelde, overtuigde prima facie niet: het bestek zegt uitdrukkelijk dat dat plafond geen indicatie voor het offertebedrag is. Ook de methode van een afwijking van vijftien procent op het gemiddelde als detectiecriterium mocht het GO! binnen zijn beoordelingsruimte hanteren, ook al was artikel 36, § 4, hier niet van toepassing. Evenmin is vereist dat elk element van een prijsverantwoording uitsluitend op de betrokken inschrijver van toepassing is: automatisering, werkorganisatie of geografische spreiding kunnen in combinatie een relevante kostenbesparing opleveren. En het GO! mocht het nadere prijsonderzoek in deze fase beperken tot de eerste en de tweede gerangschikte; de Raad stelt als wettigheidsrechter zijn eigen prijstechnische beoordeling niet in de plaats van die van de aanbesteder. De Raad merkte wel op dat het GO! in zijn eigen briefwisseling verwees naar ‘de door ons vooropgestelde raming van de opdracht’, wat er prima facie op wijst dat er, los van het maximumbedrag in het bestek, toch een raming voorhanden was waaraan mede lijkt te zijn getoetst. De kernvraag bleef of de verstrekte prijsverantwoordingen de vastgestelde schijn van abnormaliteit wegnamen en of de aanvaarding ervan zorgvuldig en afdoende was gemotiveerd. Daar liep het mis. De woorden ‘heldere duiding’, ‘nodige garanties’ en ‘marktconform’ bevatten volgens de Raad veeleer de conclusie van de beoordeling dan de redenen die ertoe hebben geleid. Het verslag vermeldt niet welke onderdelen van de verantwoordingen doorslaggevend werden geacht, noch hoe die de afwijkingen van 50,21 en 37,39 procent verklaren. Bij de gekozen inschrijver bespreekt het verslag uitvoerig waarom het offertebedrag werd aangepast, maar niet waarom het gecorrigeerde bedrag, dat nog steeds de helft onder het gemiddelde lag, economisch uitvoerbaar was; over de bijkomende prijsinlichtingen van 23 juni 2026 staat er geen concrete beoordeling in. Bij de tweede gerangschikte ontbreekt nagenoeg elke individuele bespreking. De verwijzing naar de proof of concept ondervangt dat niet: een praktische proef kan aantonen dat een inschrijver de technische draagwijdte begrijpt en een resultaat kan afleveren, maar toont op het eerste gezicht niet aan dat de volledige opdracht gedurende de looptijd van de raamovereenkomst tegen de aangeboden eenheidsprijzen economisch haalbaar is; zij kan hoogstens ondersteunend zijn en vervangt niet het concrete onderzoek van personeelskosten, productiviteit, overhead, verplaatsingen en marges. Motieven die het GO! achteraf in zijn nota aanvoerde, konden het gebrek evenmin remediëren: zij zijn in geen enkel stuk van het administratief dossier terug te vinden en het GO! toonde niet aan dat ze een rol hebben gespeeld bij het nemen van de beslissing. Omdat het gebrek zowel de eerste als de tweede gerangschikte offerte betreft en een hernieuwd prijsonderzoek de rangschikking van O. kan beïnvloeden, had zij belang bij haar kritiek. Het tweede middelonderdeel werd ernstig bevonden. Staatsraad Kaat Leus, waarnemend voorzitter van de XIIe vakantiekamer, willigde op 24 augustus 2026 de tussenkomst van L.V.E. in en beval de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de gunningsbeslissing van 15 juli 2026. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge had een eensluidend advies gegeven. Over het eerste middelonderdeel — of de verdubbeling van het offertebedrag nog een toegelaten verbetering van een materiële vergissing was — deed de Raad in dit arrest geen uitspraak.
Waarom doet dit ertoe?
Dit arrest zegt weinig over wat een abnormaal lage prijs ís, en veel over wat een aanbesteder moet opschrijven zodra hij er zelf een vermoedt. Het GO! deed op zich niet weinig: het rekende een gemiddelde uit, hanteerde een drempel van vijftien procent, bevroeg de twee laagste inschrijvers, kreeg antwoorden binnen en nam ze in het dossier op. De Raad keurt elk van die stappen ook uitdrukkelijk goed. Wat ontbrak, was de laatste: uitleggen waarom die antwoorden de vastgestelde schijn wegnemen. Een detectiedrempel die je zelf hanteert, creëert een verplichting: wie op basis van zijn eigen methode een prijs als abnormaal selecteert, moet daaraan daadwerkelijk zorgvuldig gevolg geven. Drie geruststellende woorden zijn dan geen motivering maar een conclusie zonder redenering. Twee gevolgen daarvan zijn praktisch belangrijk. Ten eerste: vertrouwelijkheid is geen vrijgeleide. De Raad aanvaardt uitdrukkelijk dat een aanbesteder, om bedrijfsgegevens te beschermen, in algemene termen mag blijven — maar niet zo summier dat niet meer valt na te gaan waaróm de offerte na het prijsonderzoek regelmatig werd bevonden. En repareren in de nota lukt niet: motieven die niet in het administratief dossier staan, tellen niet mee, anders holt men de formele motiveringsplicht volledig uit. Ten tweede: een proof of concept bewijst bekwaamheid, geen rendabiliteit. Dat een inschrijver op een halve dag correct opmeet en tekent, zegt niets over de vraag of hij vier jaar lang aan die eenheidsprijzen kan leveren. Wie de proef als antwoord op een prijsbezwaar gebruikt, verwart twee verschillende onderzoeken. Het arrest is ook nuttig voor wie ver achteraan is gerangschikt. O. stond derde met een offertebedrag van meer dan drie keer dat van de winnaar en leek op het eerste gezicht kansloos. Toch werd haar belang aanvaard, precies omdat haar middel niet alleen de winnaar maar ook de tweede raakte: worden beide offertes na een nieuw prijsonderzoek geweerd, dan schuift zij op naar de eerste plaats. Het ontwerp van het verzoekschrift bepaalde hier de ontvankelijkheid. Tot slot zit er een procedureel novum in. Sinds 1 januari 2025 moet de nota met opmerkingen een samenvatting van de eigen argumenten bevatten, ook bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Wie dat nalaat, riskeert dat de Raad zijn argumenten leest zoals hij ze zelf reconstrueert — een nadeel dat je in een versnelde procedure niet meer rechtzet.
De les
Bent u aanbesteder, dan is de les compact: wat u in het prijsonderzoek vaststelt, moet u in de gunningsbeslissing ook afwerken. Selecteert uw eigen methode een prijs als schijnbaar abnormaal, schrijf dan op welke concrete elementen uit de verantwoording u doorslaggevend vond, hoe die de vastgestelde afwijking in procenten verklaren en waarom de prijs economisch uitvoerbaar is over de hele looptijd. Doe dat per inschrijver: één gezamenlijke formule voor twee verschillende dossiers is geen motivering. Is de verantwoording vertrouwelijk, blijf dan algemeen in de bewoordingen maar concreet in de structuur, zodat een lezer kan nagaan wat u hebt onderzocht. Bewaar die motieven in het administratief dossier, want wat u pas in uw nota aanvoert, telt niet. En gebruik een proof of concept niet als prijsargument — die proef toont bekwaamheid aan, geen rendabiliteit. Bent u afgewezen inschrijver, lees het verslag van nazicht dan op zijn werkwoorden. Staat er wat de aanbesteder heeft vastgesteld, of enkel wat hij heeft besloten? Zinnen als ‘de offertes zijn marktconform’ zonder aanwijsbaar onderzoek zijn het aangrijpingspunt. Kijk vooral of de aanbesteder zichzelf tegenspreekt: wie eerst vier prijzen als abnormaal opsomt en ze daarna in één zin normaal verklaart, heeft een gat in zijn dossier. En als u niet tweede maar derde staat, richt uw middel dan uitdrukkelijk op álle inschrijvers die vóór u staan — hier was dat precies wat de exceptie van gebrek aan belang deed sneuvelen.
Te onthouden
- Wie op grond van zijn eigen detectiemethode een prijs als schijnbaar abnormaal selecteert, moet daaraan zorgvuldig gevolg geven: de aanvaarding van de prijsverantwoording moet worden gemotiveerd met de redenen, niet met de conclusie.
- De woorden ‘heldere duiding’, ‘nodige garanties’ en ‘marktconform’ kwamen de Raad voor als een ontoereikend bevonden stijlformule: het verslag verklaarde niet hoe de afwijkingen van 50,21 en 37,39 procent onder het gemiddelde werden weggenomen.
- Vertrouwelijkheid laat een beknopte motivering toe, maar niet een die het onmogelijk maakt na te gaan waarom de offerte na het prijsonderzoek regelmatig werd bevonden; motieven die pas in de nota worden aangevoerd en niet in het administratief dossier staan, remediëren het gebrek niet.
- Een proof of concept toont technische bekwaamheid aan, maar op het eerste gezicht niet dat de opdracht over de looptijd van de raamovereenkomst tegen de aangeboden eenheidsprijzen economisch haalbaar is; hij vervangt geen onderzoek van personeelskosten, productiviteit, overhead, verplaatsingen en marges.
- De maximale waarde van een raamovereenkomst (hier 1.300.000 euro inclusief btw) is geen prijsraming wanneer het bestek uitdrukkelijk zegt dat ze niet op de vermoedelijke hoeveelheden is gebaseerd; een behoorlijke raming blijft wel een relevant vergelijkingspunt.
- Een afwijkingsdrempel van vijftien procent op het gemiddelde mag als screeningsinstrument worden gehanteerd, ook buiten het toepassingsgebied van artikel 36, § 4, van het koninklijk besluit van 18 april 2017.
- Een verantwoordingselement hoeft niet uniek te zijn voor één inschrijver: automatisering, werkorganisatie en geografische spreiding kunnen in combinatie de schijn van abnormaliteit wegnemen, zolang de gevolgen concreet en waar mogelijk cijfermatig worden toegelicht.
- De derde gerangschikte behoudt belang wanneer haar middel ook de tweede gerangschikte raakt: worden beide hogere offertes na een nieuw prijsonderzoek geweerd, dan schuift zij door naar de eerste plaats.
- Sinds 1 januari 2025 moet de nota met opmerkingen krachtens artikel 7, § 1, van het koninklijk besluit van 19 november 2024 een samenvatting van de eigen argumenten van de verwerende partij bevatten — ook in een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid.
- Over het eerste middelonderdeel — of de verdubbeling van het offertebedrag van 153.540 naar 317.340 euro exclusief btw nog een toegelaten verbetering van een materiële vergissing was — deed de Raad in dit arrest geen uitspraak.
Waarop letten
- Het onderscheid tussen vaststellen en besluiten in het verslag van nazicht: de motivering moet de gevolgde redenering zichtbaar maken, niet alleen het resultaat.
- Een individuele bespreking per bevraagde inschrijver; één gezamenlijke formule voor twee dossiers laat het tweede ongemotiveerd.
- Consistentie tussen het bestek en de eigen briefwisseling: het GO! verwees naar ‘de door ons vooropgestelde raming’ terwijl het bestek de maximale waarde uitdrukkelijk niet als raming presenteerde.
- De timing van de motieven: enkel wat bij het nemen van de beslissing in het administratief dossier zat, telt mee.
- De verleiding om een kwalitatief gunningscriterium te laten meewegen als bewijs van prijsrealisme — dat zijn twee verschillende onderzoeken.
- De opbouw van het verzoekschrift bij een lage rangschikking: het middel moet elke hoger gerangschikte inschrijver raken om het belang veilig te stellen.
- De samenvattingsplicht van artikel 7, § 1, van het koninklijk besluit van 19 november 2024, die ook in kort geding bij uiterst dringende noodzakelijkheid geldt.
Stel jezelf de vraag
Verklaart uw gunningsbeslissing per inschrijver welke concrete elementen van de prijsverantwoording u hebt aanvaard en hoe die de vastgestelde procentuele afwijking verklaren, of blijft het bij een conclusie? Staan die motieven in het administratief dossier, of zou u ze pas in een nota moeten aanvoeren? Gebruikt u ergens een proof of concept, een referentie of een kwaliteitsscore als antwoord op een prijsbezwaar, terwijl die niets zeggen over de economische haalbaarheid van de eenheidsprijzen? Hebt u nagegaan of uw dossier een raming bevat waarnaar u in uw briefwisseling verwijst, en of die raming consistent is met wat het bestek zegt over de maximale waarde? En als inschrijver: raakt uw middel elke inschrijver die vóór u is gerangschikt, zodat een hernieuwd onderzoek u daadwerkelijk op de eerste plaats kan brengen?
Gerelateerde arresten
Over deze databank
De Raad van State is het hoogste administratieve rechtscollege in België. Bij geschillen over overheidsopdrachten — van de gunning van een contract tot de uitsluiting van een inschrijver — is het de Raad van State die in laatste instantie oordeelt. De arresten in deze databank zijn door TenderWolf samengevat in begrijpelijke taal, met concrete lessen voor inschrijvers en aanbestedende overheden. Bekijk alle arresten →