Verwerping Nederlandstalig college

Sport Vlaanderen trekt de gunning van zijn voedingsopdracht in na een UDN-vordering en besteedt opnieuw aan: een bestek dat dagprijzen ‘op de dag na de publicatie’ vraagt, bleek onduidelijk genoeg om te mogen stoppen

Arrest nr. 267556 · 7 september 2026 · XIVe kamer

Nadat de nv S. de gunning van de opdracht voor de levering van voedingswaren aan de centra van Sport Vlaanderen had aangevochten, trok het agentschap die gunning in, zette het de procedure stop en kondigde een nieuwe aanbesteding aan omdat het bestek onduidelijk was over de datum van de dagprijzen voor verse producten; de voorzitter van de XIVe kamer oordeelt dat dit motief de stopzetting op het eerste gezicht draagt en verwerpt de UDN-vordering van de nv S. tegen die beslissing.

Wat gebeurde er?

Het Agentschap Sport Vlaanderen schreef via een nationaal en Europees bekendgemaakte openbare procedure een leveringsopdracht uit voor voedingswaren (algemene voeding, vlees, vis) voor zijn verschillende centra. Prijs woog het zwaarst: 40 punten voor de inschrijvingsprijs van een lijst van 188 meest frequente producten, 10 voor de korting op de catalogusprijs en 20 voor de volumekorting; daarnaast 25 punten voor de kwaliteit van de dienstverlening en 5 voor duurzaamheid. Voor verse producten (vlees als toegestane optie, groenten en fruit) bepaalde het bestek dat de inschrijver ‘de dagprijs op van de dag na de publicatiedatum van deze opdracht’ opgeeft, waarop een vast kortingspercentage wordt toegepast; in de inventaris moesten de ‘normale catalogusprijzen’ staan. Vier inschrijvers dienden een offerte in, onder wie de nv S. en de nv S.F. Op 6 mei 2026 schreef Sport Vlaanderen alle inschrijvers aan: er was ‘geen referentiedatum’ meegegeven voor de prijzen van groenten en fruit, en om ‘een objectieve en uniforme vergelijking’ mogelijk te maken, moesten zij de dagprijzen van woensdag 29 april 2026 invullen in een Excelbestand. Alle inschrijvers deden dat. Het gunningsverslag van 4 juni 2026 stelde vast dat de nv S.F. het luik ‘groenten vers’ niet had ingevuld omdat die producten een specifieke dagprijs hebben — een substantiële onregelmatigheid, die volgens het verslag via de vraag van 6 mei was geregulariseerd. Op 11 juni 2026 werd de opdracht aan de nv S.F. gegund. De nv S., die zich de beste regelmatige inschrijver noemde, stapte op 10 juli 2026 bij uiterst dringende noodzakelijkheid naar de Raad van State tegen die gunning. Een week later, op 17 juli 2026, trok Sport Vlaanderen de gunningsbeslissing in, zette het de procedure stop op grond van artikel 85 van de wet van 17 juni 2016 en besliste het een nieuwe openbare procedure uit te schrijven. Twee motieven: het bestek bevatte een onduidelijkheid over de datum waarop de dagprijs voor verse producten moest worden opgegeven, wat de gelijkheid van de inschrijvers in gevaar bracht; en een heraanbesteding bood de kans om de inventarislijst uit te breiden met producten voor topsporters. De nv S. vorderde op 31 juli 2026 ook de schorsing van die beslissing. Ze voerde aan dat de datum ‘glashelder’ in het bestek stond, dat een stopzetting na gunning enkel om zwaarwichtige redenen kan, dat de behoefte van topsporters een loutere opportuniteit was en dat de stopzetting de onregelmatige inschrijver een tweede kans gaf, wat volgens haar op favoritisme wees. Staatsraad Inge Vos, waarnemend voorzitter van de XIVe kamer, volgde dat niet. Artikel 85 laat toe een procedure te beëindigen, niet alleen vóór de gunning maar ook tussen gunning en sluiting, zonder dat de wetgever daaraan voorwaarden over de regelmatigheid van de vorige fasen verbindt; die bevoegdheid omvat de mogelijkheid de gunningsbeslissing in te trekken. De aanbestedende overheid mag daarbij niet willekeurig handelen en moet steunen op deugdelijke motieven. De noodzaak om het bestek te verbeteren kan zo’n motief zijn. Het bestek vermeldde geen expliciete datum, enkel een verwijzing naar ‘de dag na de publicatiedatum’, en sprak verderop ook van ‘normale catalogusprijzen’. Uit de vertrouwelijke stukken bleek bovendien dat de verwarring niet tot de nv S.F. beperkt bleef: die verwees in haar inventaris enkel naar ‘dagprijs’, een andere inschrijver vermeldde twee verschillende dagprijzen die geen van beide op de dag na publicatie sloegen, en de nv S. zelf had bij haar dagprijzen geen datum vermeld en in haar begeleidende brief benadrukt dat ze de marktschommelingen volgen. Dat diezelfde onduidelijkheid Sport Vlaanderen al op 6 mei tot een bijkomende vraag had gebracht, bevestigde het beeld. Dat de stopzetting pas kwam nadat een procedure was ingesteld, maakt het motief niet ondeugdelijk: een overheid mag het dossier naar aanleiding van zo’n procedure opnieuw onderzoeken. Het motief over de topsporters was daardoor overtollig, zodat de kritiek erop geen belang meer had. Een schending van het gelijkheidsbeginsel was niet aangetoond, en het verwijt dat de stopzetting de nv S.F. een nieuwe kans moest geven, kwalificeerde de Raad als een verkapte grief van machtsafwending zonder concrete gegevens. Het enig middel was niet ernstig; de ontvankelijkheidsexcepties van Sport Vlaanderen hoefden niet te worden onderzocht. De vordering werd verworpen, met de kosten (rolrecht van 200 euro, bijdrage van 26 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro) ten laste van de nv S. In een tweede arrest van dezelfde dag (nr. 267.557) verklaarde de Raad de eerdere UDN-vordering van de nv S. tegen de gunning van 11 juni 2026 zonder voorwerp en niet-ontvankelijk, precies omdat de intrekking niet geschorst werd. Eerste auditeur Thomas Maes had in beide zaken eensluidend geadviseerd.

Waarom doet dit ertoe?

Het arrest toont hoe sterk de positie van een aanbestedende overheid is zodra ze, na een aanval op haar gunning, kiest voor intrekken en heraanbesteden. Artikel 85 vereist geen voorafgaande onwettigheid: een aangetoonde onduidelijkheid in het bestek die de vergelijkbaarheid van de offertes aantast, volstaat. Opvallend is dat de Raad zich niet beperkt tot de tekst van het bestek, maar in de offertes zelf nagaat of de onduidelijkheid echt speelde — en ze terugvindt bij drie van de vier inschrijvers, de verzoeker inbegrepen. Daarmee sluit het arrest aan bij de lijn van arrest 263.281 (Infrabel), waar een stopzetting wegens bestekonduidelijkheid standhield omdat die tot daadwerkelijk verschillende prijszettingen had geleid. Voor de nv S. is het resultaat bitter: de inschrijver die zij als substantieel onregelmatig had willen laten weren, krijgt een nieuwe kans, en zij kan zich niet meer beroepen op het gunningsverslag van de ingetrokken beslissing. Ook procedureel is de les scherp: met de niet-geschorste intrekking valt de eerste UDN-vordering zonder voorwerp, zodat de inschrijver twee procedures voert en in de tweede ook nog de rechtsplegingsvergoeding betaalt. Wie favoritisme vermoedt, moet machtsafwending uitdrukkelijk aanvoeren en met concrete gegevens onderbouwen; de loutere vaststelling dat de gekozen inschrijver opnieuw mag meedingen, volstaat niet.

De les

Voor aanbesteders: wie prijzen voor verse of volatiele producten vraagt, legt een expliciete kalenderdatum of een objectieve referentie (een index, een markt, een notering) vast, geen datum die de inschrijver zelf moet afleiden. Blijkt na indiening dat inschrijvers het bestek verschillend lazen, dan is een ‘regularisatie’ via een bijkomende vraag een kwetsbare oplossing; stopzetten en heraanbesteden met een verbeterd bestek houdt in de regel beter stand, op voorwaarde dat u de onduidelijkheid concreet in de beslissing motiveert en met de offertes kunt staven. Bijkomende wensen, zoals het uitbreiden van de inventaris, zijn een welkome bonus maar dragen een stopzetting niet op zichzelf. Voor inschrijvers: lees bepalingen over prijsreferenties op de manier waarop een concurrent ze zou kunnen lezen, en stel bij twijfel een vraag tijdens de vragenronde. Hebt u zelf geen datum vermeld of uw prijzen vaag geformuleerd, dan wordt het moeilijk te betogen dat het bestek ‘glashelder’ was. En houd er bij een UDN-procedure tegen een gunning rekening mee dat de overheid kan intrekken en stopzetten: richt uw pijlen dan tijdig op die nieuwe beslissing, en voer machtsafwending enkel aan als u concrete aanwijzingen hebt.

Te onthouden

  • Artikel 85 van de wet van 17 juni 2016 laat stopzetting toe vóór de gunning én tussen gunning en sluiting, en omvat de mogelijkheid om de gunningsbeslissing in te trekken.
  • De wetgever koppelt die bevoegdheid niet aan een onregelmatigheid in de voorafgaande fasen, maar de beslissing moet steunen op deugdelijke, niet-willekeurige motieven.
  • De noodzaak om het bestek te verbeteren kan een gegronde reden zijn om een betwiste gunning in te trekken en opnieuw aan te besteden.
  • Een bestek dat enkel verwijst naar de ‘dag na de publicatiedatum’ zonder expliciete datum, en elders ‘normale catalogusprijzen’ vraagt, kan op het eerste gezicht onduidelijk zijn — zeker als meerdere inschrijvers het verschillend lazen.
  • Dat de stopzetting volgt op een procedure bij de Raad van State, maakt het motief niet ondeugdelijk.
  • Een bijkomend motief (uitbreiding van de inventaris voor topsporters) is overtollig zodra het hoofdmotief de beslissing draagt.
  • Na intrekking kan de verzoeker zich niet dienstig beroepen op het gunningsverslag van de ingetrokken beslissing.
  • Machtsafwending vereist concrete gegevens; dat de oorspronkelijk gekozen inschrijver opnieuw kan meedingen, volstaat niet.
  • Wordt de intrekking niet geschorst, dan wordt de UDN-vordering tegen de oorspronkelijke gunning zonder voorwerp (arrest 267.557 van dezelfde dag).

Waarop letten

  • Prijsbepalingen voor verse producten en andere dagprijzen: expliciete datum of objectieve referentie.
  • Bijkomende vragen aan inschrijvers na de opening die in feite een leemte in het bestek opvullen.
  • Het verschil tussen een dragend motief en een overtollig motief in een stopzettingsbeslissing.
  • De eigen offerte: vaagheid aan de kant van de verzoeker ondergraaft de stelling dat het bestek duidelijk was.
  • Het procedurele gevolg van een intrekking voor een lopende UDN-vordering tegen de gunning.
  • Machtsafwending als afzonderlijke toetsingsgrond uitdrukkelijk in het middel opnemen.

Stel jezelf de vraag

Als aanbesteder: staat bij elke prijsopgave voor volatiele producten een expliciete datum of objectieve referentie in het bestek? Als aanbesteder: motiveert mijn stopzettingsbeslissing concreet waarin de onduidelijkheid bestaat en hoe ze de vergelijkbaarheid van de offertes heeft aangetast? Als aanbesteder: draagt het hoofdmotief de stopzetting op zichzelf, of steun ik op een bijkomende wens die de Raad als loutere opportuniteit zou kunnen zien? Als inschrijver: vermeldt mijn offerte zelf ondubbelzinnig welke datum of referentie ik voor mijn prijzen heb gebruikt? Als inschrijver: heb ik een onduidelijke prijsbepaling tijdens de vragenronde aangekaart, in plaats van ze pas na de gunning aan te vechten? Als inschrijver: kan ik concrete gegevens aanbrengen die wijzen op een ander oogmerk dan het verhelpen van een gebrek, voor ik machtsafwending inroep?

Gerelateerde arresten

Over deze databank

De Raad van State is het hoogste administratieve rechtscollege in België. Bij geschillen over overheidsopdrachten — van de gunning van een contract tot de uitsluiting van een inschrijver — is het de Raad van State die in laatste instantie oordeelt. De arresten in deze databank zijn door TenderWolf samengevat in begrijpelijke taal, met concrete lessen voor inschrijvers en aanbestedende overheden. Bekijk alle arresten →