De winnaar rekent geen btw aan – en de aanbesteder gelooft dat zonder één stuk in het dossier te steken
Het Vlaamse Gewest gunt een opdracht aan een tijdelijke handelsvennootschap die op het grootste deel van haar offerte geen btw aanrekent omdat ze een 'forfaitaire landbouwregeling' zou hebben — maar dat motief blijkt feitelijk onjuist en steunt op geen enkel stuk in het dossier.
Wat gebeurde er?
Het Agentschap Natuur en Bos schrijft een vereenvoudigde onderhandelingsprocedure uit voor het opstellen van economische modellen voor samenwerking met landbouwers in natuurreservaten. Zeven inschrijvers dienen een offerte in; vier worden uitgenodigd voor een BAFO. Na de finale beoordeling staat de thv EV ILVO en ABC Eco² vzw eerste met 89 punten op 100 voor een prijs van 85.948,28 euro inclusief btw. Land-Gewin volgt op één punt verschil met 88 punten voor 102.800,39 euro. Het verschil zit grotendeels in de btw: EV ILVO (het Eigen Vermogen van het Vlaamse onderzoeksinstituut voor Landbouw en Visserij) rekent op het overgrote deel van zijn prestaties geen btw aan. Het gunningsverslag motiveert dit als volgt: 'EV ILVO is gerechtigd om geen btw aan te rekenen op diensten die zij aanbiedt omdat zij op btw-vlak een forfaitaire landbouwregeling heeft.' Land-Gewin trekt naar de Raad van State. In zijn nota bij de Raad geeft het Vlaamse Gewest plots een ander motief: EV ILVO zou niet btw-plichtig zijn omdat het als overheid werkzaamheden of handelingen als overheid verricht (artikel 6 wetboek btw), niet wegens een 'forfaitaire landbouwregeling' (artikel 57). De Raad stelt vast dat er in het administratief dossier geen enkel stuk te vinden is dat het in de gunningsbeslissing opgenomen motief – de forfaitaire landbouwregeling – ondersteunt. De aanbestedende overheid heeft, zo lijkt, zelfs niet zorgvuldig onderzocht op welke grond EV ILVO geen btw mocht aanrekenen. De Raad schorst de gunningsbeslissing wegens schending van de materiële motiveringsplicht: de beslissing steunt niet op een in feite correct motief, en het vervangende motief dat de verwerende partij pas in de procedure aanvoert vindt evenmin steun in de stukken.
Waarom doet dit ertoe?
Het lijkt een fiscaal-technisch detail, maar het raakt de kern van het prijsonderzoek. Artikel 24 van de toenmalige wet overheidsopdrachten verplicht een aanbestedende overheid om bij prijsvergelijking rekening te houden met alles wat met zekerheid de uitgaven verhoogt – btw incluis. Als één inschrijver beweert geen btw te moeten aanrekenen, mag de aanbesteder dat niet zomaar overnemen: hij moet weten waarom en moet kunnen aantonen dat hij dat onderzocht heeft. Doet hij dat niet, dan vergelijkt hij appelen met peren – en dat is precies wat het gelijkheidsbeginsel verbiedt. Voor bid managers is dit een herkenbaar scenario: een concurrent die structureel goedkoper lijkt door een fiscaal voordeel. Voor aanbesteders is de les nog scherper: een motief in het gunningsverslag moet kloppen met de stukken in het dossier, niet met wat je achteraf in een procedurenota schrijft.
De les
Als een inschrijver in zijn offerte stelt dat hij geen btw moet aanrekenen, vraag dan vóór de gunningsbeslissing een formeel stuk op dat dat ondersteunt (een ruling, een attest van FOD Financiën, een verwijzing naar de specifieke wettelijke grondslag). Stop dat stuk in het administratief dossier en verwijs ernaar in het gunningsverslag. Als je dat niet doet en de motivering van je beslissing op het verkeerde wetsartikel steunt, kun je dat niet meer rechtzetten met een nota voor de Raad van State.
Te onthouden
- Bij prijsvergelijking moet je btw meerekenen als 'berekenbaar gegeven dat met zekerheid de uitgaven verhoogt' (art. 24)
- Een motief in een gunningsbeslissing moet feitelijk juist zijn — verkeerd wetsartikel = motiveringsgebrek
- Je kunt een motief niet 'rechtzetten' met een procedurenota voor de Raad; de Raad kijkt alleen naar wat in de bestreden beslissing staat
- Zorgvuldigheid bij prijsonderzoek vraagt actief onderzoek naar een afwijkend btw-statuut, niet alleen het overschrijven van wat de inschrijver beweert
Waarop letten
- Een inschrijver die in zijn offerte een fiscaal regime claimt zonder onderliggend bewijsstuk
- Een gunningsverslag dat verwijst naar een specifieke wettelijke regeling (bv. 'forfaitaire landbouwregeling') zonder dat het dossier dat staaft
- Een prijsverschil dat exact overeenkomt met het btw-percentage — vaak een teken dat de btw-behandeling het rangschikkingsverschil bepaalt
Stel jezelf de vraag
Als één inschrijver structureel 15-20% goedkoper uitkomt omdat hij geen btw aanrekent: ligt er in jouw dossier een document dat zijn btw-statuut staaft, en is dat document opgesteld door of voor de bevoegde fiscale instantie?
Gerelateerde arresten
Over deze databank
De Raad van State is het hoogste administratieve rechtscollege in België. Bij geschillen over overheidsopdrachten — van de gunning van een contract tot de uitsluiting van een inschrijver — is het de Raad van State die in laatste instantie oordeelt. De arresten in deze databank zijn door TenderWolf samengevat in begrijpelijke taal, met concrete lessen voor inschrijvers en aanbestedende overheden. Bekijk alle arresten →