Pleiten dat je een arme overheid bent om je proceskosten te drukken? Niet zonder bewijs — en al helemaal niet als je zelf advocaten consulteerde
De Raad stelt vast dat het UDN-beroep van INTERMÉDIANCE & PARTNERS tegen twee deelbeslissingen van CENTR'HABITAT (verlenging in spoed van de vorige deurwaardersopdracht en de aanvang van een nieuw bestek) zonder voorwerp is na intrekking, maar verwerpt het uitvoerige verzoek van CENTR'HABITAT om de basis-rechtsplegingsvergoeding van 700 euro te herleiden naar het minimum van 140 euro — en kent de volle 700 euro toe (350 euro per verzoeker) plus 400 euro andere kosten.
Wat gebeurde er?
Op 8 februari 2017 had CENTR'HABITAT — een Henegouwse sociale huisvestingsmaatschappij die voornamelijk leeft van Waalse subsidies — de overheidsopdracht voor het aanwijzen van een gerechtsdeurwaarder gegund aan SKWARA-DUPONT. Op 10 mei 2017 nam haar Comité de gestion een nieuwe beraadslaging die drie zaken bevatte: (1) intrekking van die gunningsbeslissing van 8 februari, (2) een 'verlenging in spoed' van de vorige deurwaardersopdracht omdat de cel Contentieux niet zonder deurwaardersdiensten kon blijven, en (3) de beslissing om over te gaan tot 'analyse van nieuwe principes voor een bestek rekening houdend met de opmerkingen van de Raad van State'. INTERMÉDIANCE & PARTNERS en haar bestuurder Bertrand Wambersy stelden op 31 mei 2017 een UDN-beroep in tegen die tweede en derde deelbeslissing — niet tegen de intrekking zelf. De zaak werd vastgelegd op 20 juni 2017. Vijf dagen voor de zitting, op 14 juni 2017, trok CENTR'HABITAT óók die twee bestreden deelbeslissingen in. De intrekking werd per aangetekende brief van 21 juni 2017 betekend aan alle inschrijvers; geen enkele inschrijver stelde binnen de termijn een annulatieberoep in tegen die intrekking. De zaak werd voor sluiting vastgelegd op 7 november 2017. Het beroep verloor zijn voorwerp. Wat het arrest interessant maakt is wat erna kwam. CENTR'HABITAT diende een nota in en pleitte uitvoerig om de basis-rechtsplegingsvergoeding van 700 euro herleid te zien tot het minimum van 140 euro. Drie argumenten: (1) zij werkt 'met derisoire middelen die hoofdzakelijk uit Waalse subsidies komen' en 'veroordelingen in de kosten belasten haar budget zwaar, ten nadele van haar opdrachten van algemeen belang'; (2) de zaak is niet complex — de aangevochten onwettigheden waren evident en de akten werden onmiddellijk na ontvangst van het verzoekschrift zonder discussie ingetrokken; (3) de verzoekers hoefden geen nota van opmerkingen door te nemen of een tegenargumentatie op te bouwen. Subsidiair vroeg ze een tussenbedrag tussen 140 en 700 euro. De Raad veegt elk argument gemotiveerd van tafel. Over de financiële krapte: 'CENTR'HABITAT blijft in gebreke om door welk element ook de financiële moeilijkheden aan te tonen die zij beweert' — en in elk geval is 700 euro voor een aanbestedende overheid van haar omvang 'in elk geval zeer beperkt'. Over de beweerde eenvoud: dit wordt 'tegengesproken door de houding van de tegenpartij zelf' — vóór ze de akten introk, oordeelde ze immers dat het nodig was een advocatenkantoor te raadplegen, dat zelf de Raad informeerde over de overwogen intrekking. Over het beweerde gebrek aan 'devoirs significatifs': de intrekking gebeurde ná het indienen van het verzoekschrift en ontsloeg de verzoekers niet van vertegenwoordiging op de zitting van 7 november 2017 — 'er kan niet worden betwist dat in deze zaak significante taken moesten worden vervuld door de raadslieden van verzoekers, ook al hebben ze geen nota van opmerkingen moeten lezen of beantwoorden'. De Raad kent de basis-rechtsplegingsvergoeding van 700 euro toe (verdeeld over 350 euro per verzoeker) en legt 400 euro andere kosten ten laste van CENTR'HABITAT.
Waarom doet dit ertoe?
Voor verzoekers betekent dit dat het standaardrepertoire van de aanbestedende overheid om uw rechtsplegingsvergoeding terug te dringen — pleiten van financiële krapte, eenvoud van de zaak, gemak van de tegenpartij — niet werkt zonder concreet bewijs. Wie een UDN-beroep indient en daarna een intrekking ziet, mag rekenen op de volle basisvergoeding van 700 euro plus de andere kosten. Voor aanbestedende overheden is de boodschap omgekeerd: 'kleine sociale economie' is geen automatische reductiegrond — leg cijfers neer als u écht moeite doet om uw budget te verdedigen, en bedenk dat het feit dat u advocaten heeft geraadpleegd vóór de intrekking de zaak per definitie niet 'eenvoudig' maakt. De redenering dat 700 euro 'beperkt blijft voor een aanbestedende overheid van uw omvang' is veelzeggend voor de houding van de Raad: het is een vergoeding die forfaitair is en niet snel zal worden verlaagd.
De les
Wil je als aanbestedende overheid de basis-rechtsplegingsvergoeding van 700 euro herleid zien naar het minimum van 140 euro? Dan moet je drie zaken aantonen: (1) je financiële moeilijkheden met cijfers en stukken — een loutere bewering volstaat niet; (2) de eenvoud van de zaak — wat moeilijk is als je zelf een advocatenkantoor hebt geconsulteerd vóór de intrekking; (3) een gebrek aan reëel werk voor de tegenpartij — wat moeilijk is als die op zitting moest verschijnen. Als verzoeker: vraag standaard de basisvergoeding van 700 euro plus de andere kosten en weerleg eventuele reductieargumenten met verwijzing naar artikel 30/1, §2 GW RvS dat verlaging slechts toelaat 'par décision spécialement motivée'.
Te onthouden
- Beroep op 'beperkte financiële middelen' om de rechtsplegingsvergoeding te verlagen werkt niet zonder concreet bewijs — een loutere bewering volstaat nooit
- Een aanbesteder die zelf advocaten heeft geraadpleegd vóór de intrekking kan moeilijk volhouden dat de zaak 'geen complexiteit vertoonde'
- De intrekking ontslaat de verzoeker niet van vertegenwoordiging op zitting — dat zijn 'significante taken' die de basisvergoeding rechtvaardigen
- Zelfs voor een sociale economie van bescheiden omvang is 700 euro 'in elk geval zeer beperkt' volgens de Raad
- De rechtsplegingsvergoeding wordt verdeeld bij meerdere verzoekers — 350 euro per persoon bij twee verzoekers
Waarop letten
- De aanbestedende overheid pleit reductie van de rechtsplegingsvergoeding maar legt geen jaarrekening of budgetbeslissingen neer ter staving van de financiële krapte
- De aanbestedende overheid stelt dat de zaak 'eenvoudig' was, maar uit het dossier blijkt dat zij zelf een advocatenkantoor consulteerde vóór ze de aangevochten beslissing introk
- De intrekking gebeurt enkele dagen vóór de zitting, waardoor verzoekers nog steeds moeten verschijnen — een teken dat 'significante taken' werden vervuld
Stel jezelf de vraag
Pleit de aanbestedende overheid voor reductie van uw rechtsplegingsvergoeding op basis van 'beperkte middelen' of 'eenvoud van de zaak'? Vraag dan: is er een concrete budgetonderbouwing in het dossier (jaarrekening, subsidie-overzicht)? Heeft de overheid zelf advocaten ingeschakeld vóór ze introk? Moest u op de zitting verschijnen ondanks de intrekking? Drie keer ja, één keer nee — dan is de kans op behoud van de volle 700 euro reëel.
Gerelateerde arresten
Over deze databank
De Raad van State is het hoogste administratieve rechtscollege in België. Bij geschillen over overheidsopdrachten — van de gunning van een contract tot de uitsluiting van een inschrijver — is het de Raad van State die in laatste instantie oordeelt. De arresten in deze databank zijn door TenderWolf samengevat in begrijpelijke taal, met concrete lessen voor inschrijvers en aanbestedende overheden. Bekijk alle arresten →