Structureel onderhoud E403: het Vlaamse Gewest trekt de niet-selectie van Willemen Infra en de gunning aan Stadsbader in — beroep zonder voorwerp, 1.400 euro rechtsplegingsvergoeding
Willemen Infra, op 10 december 2021 niet geselecteerd voor het structureel onderhoud van de E403 tussen Kortrijk en Roeselare dat aan Stadsbader werd gegund, vocht beide beslissingen aan bij de Raad van State; toen het Vlaamse Gewest ze op 4 mei 2022 introk, verloor het annulatieberoep zijn voorwerp en verwees de Raad het Gewest in de kosten van de UDN-vordering en van het beroep, met inbegrip van een rechtsplegingsvergoeding van 1.400 euro.
Wat gebeurde er?
Het Vlaamse Gewest besliste op 10 december 2021 om de nv Willemen Infra niet te selecteren voor de overheidsopdracht ‘E403 Kortrijk-Roeselare richting Brugge – structureel onderhoud’ en gunde de opdracht dezelfde dag aan de nv Stadsbader. Willemen Infra vocht de niet-selectie, de gunning en de impliciete weigering om aan haar te gunnen aan, eerst via een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en op 9 maart 2022 met een beroep tot nietigverklaring. Het arrest vermeldt in zijn procesverloop een schorsingsarrest nr. 253.098 van 24 februari 2022, maar beschrijft daarbij een andere opdracht (onderhoud vanop het water voor De Vlaamse Waterweg, gegund aan De Brandt) — kennelijk een materiële vergissing in de tekst, zodat de uitkomst van de UDN-fase in deze zaak uit het arrest zelf niet met zekerheid af te leiden is. Op 20 april 2022 liet het Gewest weten dat het de bestreden beslissing zou intrekken, wat op 4 mei 2022 ook gebeurde. Op 12 september 2022 stelde kamervoorzitter Paul Lemmens voor de zaak zonder terechtzitting te behandelen; geen van de partijen vroeg er een, en de zaak werd op 22 november 2022 in beraad genomen. De Raad stelde vast dat het beroep door de intrekking zonder voorwerp was geworden en dat het in die omstandigheden past de kosten bij de verwerende partij te leggen. Het dictum ‘verwerpt het beroep’, maar veroordeelt het Vlaamse Gewest tot de kosten van zowel de UDN-vordering als het annulatieberoep: een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 44 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 1.400 euro aan Willemen Infra. Stadsbader draagt als tussenkomende partij 150 euro voor haar tussenkomst. Dezelfde dag wees dezelfde kamervoorzitter de zusterarresten nrs. 255.135 en 255.136, waarin geen annulatieberoep was ingesteld en de UDN-schorsing daarom werd opgeheven.
Waarom doet dit ertoe?
Het arrest is kort, maar het toont het verschil tussen twee wegen die een inschrijver na een intrekking kan bewandelen — en wat dat verschil kost. Willemen Infra had, anders dan de verzoekers in de zusterarresten van dezelfde dag, wél een beroep tot nietigverklaring ingesteld. Toen het Gewest introk, eindigde dat beroep formeel met een ‘verwerping’ wegens verlies van voorwerp, maar de kostenregeling laat geen twijfel over wie in het ongelijk is gesteld: het Gewest betaalt rolrecht, bijdrage en een rechtsplegingsvergoeding van 1.400 euro, het dubbele van de 700 euro in de zusterzaken, precies omdat er twee procedures liepen. Wie zijn annulatieberoep instelt en de aanbesteder daarna ziet intrekken, recupereert dus ook de kosten van die tweede procedure. De zaak illustreert verder dat een intrekking na een aangevochten gunning niet enkel de gunning zelf kan betreffen: hier verdwenen zowel de niet-selectie van Willemen Infra als de gunning aan Stadsbader, zodat de aanbesteder de selectiefase moest overdoen. Voor aanbesteders is dat de reële prijs van een intrekking: niet alleen de kosten, maar ook het verlies van de gunning aan de gekozen partij, die als tussenkomende partij bovendien zelf 150 euro betaalt zonder iets te hebben misdaan. Ten slotte is het arrest een herinnering aan de beperkte middelen van de Raad bij kortedebattenprocedures: het procesverloop bevat een verwijzing naar een ander dossier, een slordigheid die de uitkomst niet raakt maar wel toont dat men zulke arresten kritisch moet lezen.
De les
Voor inschrijvers: heeft u na een UDN ook een annulatieberoep ingesteld en trekt de aanbesteder daarna in, laat de zaak dan niet stilzwijgend uitdoven. De Raad sluit ze af met een arrest dat de kosten van beide procedures bij de aanbesteder legt — hier 1.400 euro rechtsplegingsvergoeding — maar enkel voor zover u die hebt gevorderd. Bent u niet geselecteerd, richt uw beroep dan tegen de niet-selectie én tegen de gunning; als de aanbesteder beide intrekt, staat u opnieuw aan de start. Voor aanbesteders: een intrekking is een legitieme manier om een wankele selectie- of gunningsbeslissing recht te zetten, maar kondig ze niet enkel aan — neem ze formeel en snel, en reken op de kosten van elke procedure die de inschrijver intussen heeft ingesteld. Voor de gekozen inschrijver: uw tussenkomst kost u 150 euro, ook als de aanbesteder zelf de stekker eruit trekt.
Te onthouden
- Trekt de aanbesteder de bestreden beslissing in nadat een annulatieberoep is ingesteld, dan wordt het beroep zonder voorwerp en verwerpt de Raad het formeel — maar de aanbesteder draagt de kosten.
- De rechtsplegingsvergoeding dekt hier beide procedures (UDN en annulatie): 1.400 euro, tegenover 700 euro in de zusterzaken waar enkel een UDN liep.
- Rolrecht 400 euro en bijdrage 44 euro eveneens ten laste van het Vlaamse Gewest; de tussenkomende partij Stadsbader betaalt 150 euro.
- Zowel de niet-selectie van Willemen Infra als de gunning aan Stadsbader werden op 4 mei 2022 ingetrokken.
- Het procesverloop van het arrest verwijst naar een schorsingsarrest over een andere opdracht (De Vlaamse Waterweg) — een kennelijke materiële vergissing.
Waarop letten
- Het verschil met de zusterarresten 255.135 en 255.136: met annulatieberoep eindigt de zaak ‘zonder voorwerp’, zonder annulatieberoep met een opheffing van de schorsing — in beide gevallen betaalt de aanbesteder.
- De aankondiging van een intrekking (brief van 20 april 2022) is niet de intrekking zelf (beslissing van 4 mei 2022).
- De rechtsplegingsvergoeding hangt af van het aantal procedures én van wat gevorderd werd.
- Kortedebattenarresten kunnen slordigheden bevatten; controleer verwijzingen naar eerdere arresten.
Stel jezelf de vraag
Hebt u in uw verzoekschriften — UDN én annulatie — de rechtsplegingsvergoeding uitdrukkelijk gevorderd, zodat u ze na een intrekking voor beide procedures krijgt? Richt uw beroep zich tegen álle beslissingen die u raken, met inbegrip van een beslissing tot niet-selectie? Als aanbesteder: hebt u de intrekking formeel beslist en tijdig aan de Raad gemeld, en beseft u dat u de kosten draagt van elke procedure die tegen de ingetrokken beslissing liep? En leest u een kort arrest kritisch genoeg om een verwijzing naar een verkeerd dossier op te merken?
Gerelateerde arresten
Over deze databank
De Raad van State is het hoogste administratieve rechtscollege in België. Bij geschillen over overheidsopdrachten — van de gunning van een contract tot de uitsluiting van een inschrijver — is het de Raad van State die in laatste instantie oordeelt. De arresten in deze databank zijn door TenderWolf samengevat in begrijpelijke taal, met concrete lessen voor inschrijvers en aanbestedende overheden. Bekijk alle arresten →