Een gemeente die straks zelf grondverzet zal moeten aangeven aan de concessiehouder is daarom nog geen geldige verzoeker tegen de concessietoewijzing
De Raad van State verklaart het annulatieberoep van de stad Andenne tegen de toewijzing door het Waals Gewest van de concessie 'beheer en traceerbaarheid van uitgegraven grond' aan de VZW Walterre onontvankelijk wegens gebrek aan belang — als toekomstig gebruiker van die dienst onderscheidt Andenne zich niet van eender welke andere eigenaar in Wallonië die ooit grond zal moeten uitgraven.
Wat gebeurde er?
Op 18 maart 2019 wees de Waalse minister van Leefmilieu de concessie van diensten voor het beheer en de traceerbaarheid van uitgegraven grond in het Waals Gewest toe aan de VZW Walterre. De concessie kadert in het uitvoeringskader van het decreet van 1 maart 2018 en het Waalse besluit van 5 juli 2018, die elk grondverzet onderwerpen aan voorafgaande melding, kwaliteitscontrole en attestering door de concessiehouder. Op 19 juni 2019 stelde de stad Andenne — niet als inschrijver, maar als toekomstig gebruiker van de dienst — een vordering tot schorsing en annulatie in. Haar redenering: als beheerder van wegenis en als eigenaar van een aanzienlijk patrimonium voert ze zelf vaak werken uit waarbij grond wordt uitgegraven; ze zal dus rechtstreeks onderworpen zijn aan beslissingen van Walterre over voorafgaande meldingen, kwaliteitsattesten en eventuele saneringsverplichtingen. Dat zou volgens haar leiden tot meerkosten en tot rechtsonzekerheid in haar contracten met wegenwerkers. Ze betwistte ook de onpartijdigheid van Walterre. In een eerder arrest n° 245.940 van 25 oktober 2019 had de Raad de schorsing al afgewezen. In de annulatieprocedure ten gronde komt de Raad opnieuw bij de ontvankelijkheid uit. Andenne probeert het langs twee wegen: (1) de toewijzingsbeslissing zou een gemengd karakter hebben (deels reglementair via de concessievoorwaarden), en (2) ze zou een persoonlijk en rechtstreeks belang hebben als toekomstig gebruiker. Beide argumenten worden verworpen. Het reglementaire karakter zit volgens de Raad in het decreet en het besluit zelf, niet in de toewijzingsbeslissing — die is louter individueel en heeft alleen betrekking op de keuze van de concessiehouder. Wat het belang betreft wijst de Raad erop dat het belang van Andenne als 'toekomstig gebruiker' niet te onderscheiden valt van het belang van eender welke eigenaar in Wallonië die ooit grond zou kunnen uitgraven — dat is geen voldoende geïndividualiseerd belang in de zin van artikel 19 van de gecoördineerde wetten. Andenne probeert nog een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof: zou artikel 14 van de wet van 17 juni 2013 (motiverings- en rechtsmiddelenwet overheidsopdrachten) in strijd zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en met artikel 9.2 van het Verdrag van Aarhus, in de mate dat enkel afgewezen inschrijvers belang zouden hebben om een concessietoewijzing aan te vechten? De Raad weigert die vraag: het belang werd niet uitgesloten omdat Andenne geen kandidaat was, maar concreet onderzocht — en is afwezig bevonden. Het Verdrag van Aarhus speelt evenmin: de toewijzingsbeslissing valt niet onder de 'specifieke activiteiten' bedoeld in artikel 6 van het verdrag. De vordering wordt verworpen. Andenne betaalt 400 euro rolrecht, 40 euro bijdrage en 840 euro rechtsplegingsvergoeding aan het Waals Gewest. Walterre betaalt zelf het tussenkomstrecht van 150 euro.
Waarom doet dit ertoe?
Concessies van diensten zijn een groeiend instrument voor overheden om publieke taken uit te besteden — afvalstoffenbeheer, grondbeheer, parkeerbeheer, mobiliteitsdiensten. Dit arrest tekent de buitenste lijn van wie zo'n toewijzing kan aanvechten: niet elke 'belanghebbende' in de brede zin, maar enkel wie een persoonlijk en rechtstreeks belang aantoont — typisch een afgewezen inschrijver of kandidaat. Een lokale overheid die straks zelf onder het toezicht van de concessiehouder zal vallen telt niet automatisch mee. Voor aanbestedende diensten betekent dit dat het risico op annulatie door 'derden-gebruikers' bij concessietoewijzingen klein is — voor potentiële verzoekers betekent het dat de strijd vaak verloren is op de drempel van de ontvankelijkheid als ze geen kandidaat zijn geweest.
De les
Wil je een concessietoewijzing aanvechten zonder zelf inschrijver te zijn geweest, dan moet je een belang aantonen dat (1) persoonlijk en geïndividualiseerd is — niet identiek aan het belang van eender welke andere burger of overheid in vergelijkbare positie — en (2) rechtstreeks voortvloeit uit de bestreden akte zelf, niet uit het achterliggende decreet of besluit. Als je grief 'we zullen later beslissingen van de concessiehouder ondergaan' is, dan is dat eventueel en indirect — en dus onvoldoende. De juiste route is het achterliggende reglement aanvechten, niet de individuele toewijzing.
Te onthouden
- Een toewijzingsbeslissing is een individuele akte, geen reglementaire — het reglementaire karakter zit in het decreet en het uitvoeringsbesluit
- Het belang ex artikel 19 RvS-wetten moet persoonlijk, rechtstreeks, zeker en actueel zijn — een 'toekomstig gebruiker'-rol volstaat niet als ze samenvalt met die van iedere andere burger
- Niet-inschrijvers kunnen in principe geen belang doen gelden bij een gunning of concessietoewijzing, behalve in zeer uitzonderlijke geïndividualiseerde gevallen
- Het Verdrag van Aarhus opent geen extra ontvankelijkheidskanaal voor concessietoewijzingen die niet onder artikel 6 van dat verdrag vallen
- Een prejudiciële vraag over artikel 14 wet 17 juni 2013 wordt niet gesteld als het belang concreet werd onderzocht en afwezig bevonden — niet automatisch uitgesloten omdat verzoeker geen kandidaat was
Waarop letten
- Een verzoekschrift dat het belang afleidt uit 'we zullen later onder het toezicht van de concessiehouder vallen' — dat is eventueel en indirect, en dus geen actueel belang
- Verwarring tussen het reglementaire karakter van het achterliggende decreet en het individuele karakter van de toewijzingsbeslissing zelf
- Beroep op de Aarhus-conventie zonder concreet aan te tonen dat de bestreden akte een 'specifieke activiteit' in de zin van artikel 6 betreft
- Een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof als laatste redmiddel — de Raad stelt geen vraag op een verkeerd juridisch postulaat
Stel jezelf de vraag
Ben je niet-inschrijver en wil je een gunning of concessietoewijzing aanvechten? Stel jezelf de vraag: kan ik een concreet, geïndividualiseerd nadeel aanwijzen dat alleen ik (of een kleine groep zoals ik) ondervind, en dat rechtstreeks voortvloeit uit déze toewijzing en niet uit het algemene reglementaire kader? Zo niet: je beroep eindigt in een onontvankelijkheidsverklaring, met rolrecht en rechtsplegingsvergoeding aan jouw kant.
Gerelateerde arresten
Over deze databank
De Raad van State is het hoogste administratieve rechtscollege in België. Bij geschillen over overheidsopdrachten — van de gunning van een contract tot de uitsluiting van een inschrijver — is het de Raad van State die in laatste instantie oordeelt. De arresten in deze databank zijn door TenderWolf samengevat in begrijpelijke taal, met concrete lessen voor inschrijvers en aanbestedende overheden. Bekijk alle arresten →