Verwerping Nederlandstalig college

Verwerping UDN-vordering tegen niet-gunning innovatiepartnerschap PFAS-zuivering Haven Antwerpen-Brugge — afwijking van indicatieve debieten en looptijd pilootopstelling mag als minpunt worden beoordeeld — beoordelingsruimte aanbestedende entiteit bij kwalitatieve gunningscriteria gerespecteerd

Arrest nr. 262143 · 28 januari 2025 · XIVe kamer

De Raad van State verwierp de UDN-vordering van BV M. tegen de beslissing van de Haven van Antwerpen-Brugge om haar niet te gunnen in een innovatiepartnerschap voor PFAS-zuiveringstechnieken voor verontreinigd bemalingswater, omdat de aanbestedende entiteit haar beoordelingsruimte niet te buiten ging door een pilootopstelling met een debiet dat 13 keer lager lag dan de laagste waarde van de indicatieve vork én een looptijd van slechts één maand (in plaats van drie) als minpunt aan te merken, en omdat de indicatieve technische specificaties geen ongerechtvaardigde belemmering van de mededinging uitmaakten.

Wat gebeurde er?

De Haven van Antwerpen-Brugge schreef via een innovatiepartnerschap (art. 122 wet 17 juni 2016) in de speciale sectoren een opdracht uit voor innovatieve zuiveringstechnieken voor met PFAS verontreinigd bemalingswater. De context: bij infrastructuurwerken in het Antwerpse havengebied komen miljoenen kubieke meters bemalingswater vrij dat verontreinigd is met PFAS en niet geloosd kan worden zonder zuivering. De klassieke techniek (adsorptie aan actieve kool) is minder efficiënt voor korte keten-PFAS. Het innovatiepartnerschap omvatte drie fases: laboschaal, pilootschaal en engineering full scale, met een trechteringssysteem waarbij na elke fase partners konden afvallen. Verzoekende partij BV M. werd geselecteerd en diende een offerte in. Het bestek voorzag twee gunningscriteria: prijs (25 punten) en kwaliteit, inhoud en aanpak (75 punten, met een drempel van 60%). Voor het kwaliteitscriterium golden twee subgunningscriteria: voorstelling van de innovatieve oplossing (35 punten) en projectplan voor het innovatiepartnerschap (40 punten). De beoordelingsmethodiek gebruikte een ordinale schaal van 0 tot 5 met tussenniveaus. Bij de eerste beoordelingsronde behaalde BV M. een score van 45/75 op het kwaliteitscriterium en werd als 7de van 12 gerangschikt. Tien inschrijvers werden uitgenodigd voor onderhandelingen. Tijdens het onderhandelingsgesprek werd BV M. uitdrukkelijk gevraagd of zij het debiet en de looptijd van haar pilootopstelling voor fase 2 kon afstemmen op het bestek. Het bestek voorzag een indicatief verwerkingsdebiet van 0,1 tot 10 m³/u en een looptijd van drie maanden. BV M. stelde echter een debiet voor van slechts 190 liter per dag (circa 8 liter per uur — 13 keer lager dan de ondergrens van de vork) en een looptijd van slechts één maand, en hield dit voorstel ook in haar aangepaste offerte aan. In de finale beoordeling behaalde BV M. een score van 41/75 op het kwaliteitscriterium (onder de drempel van 60%) en werd als tiende en laatste gerangschikt. Haar score op het subgunningscriterium 'projectplan' daalde van 3/5 (initiële offerte) naar 2,5/5 (aangepaste offerte). De opdracht werd gegund aan de negen overblijvende inschrijvers. BV M. voerde twee middelen aan. Het eerste middel betrof de beoordeling van het subgunningscriterium 'projectplan': de score zou onvoldoende gemotiveerd zijn, de beoordeling tegenstrijdig (dezelfde techniek eerst 'voldoende', dan 'nipt voldoende'), en het kennelijk onredelijk om een offerte af te straffen voor afwijking van slechts indicatieve debieten. De Raad oordeelde dat de verwerende partij haar beoordelingsruimte niet te buiten ging: de score berustte op een globale beoordeling van alle elementen (niet alleen het debiet), de daling van 3/5 naar 2,5/5 was verklaarbaar doordat na onderhandelingen een nieuwe vergelijkende beoordeling moest worden gemaakt, en het onderscheid tussen regelmatigheid en kwalitatieve beoordeling rechtvaardigde dat een indicatief element wel als minpunt kon gelden zonder de offerte onregelmatig te maken. Het tweede middel betrof de beweerde onwettigheid van de technische specificatie (art. 53 wet 2016): de indicatieve debietvork zou een ongerechtvaardigde belemmering van de mededinging vormen. De Raad oordeelde dat het doel van de specificatie de representativiteit van de pilootfase was (voldoende variërende influentomstandigheden), niet louter het toelaten van verschillende technieken. Bovendien was de specificatie niet als minimale eis gehanteerd — negen inschrijvers waren toegelaten. De verzoekende partij maakte niet aannemelijk dat er sprake was van een ongerechtvaardigde belemmering. Beide middelen werden verworpen. Kosten ten laste van de verzoekende partij (rolrecht 200 EUR, bijdrage 24 EUR, RPV 770 EUR aan verwerende partij).

Waarom doet dit ertoe?

Dit arrest is een belangrijk referentiepunt voor innovatiepartnerschappen en de beoordeling van kwalitatieve gunningscriteria bij complexe technische opdrachten. Het verduidelijkt meerdere principes. Ten eerste: indicatieve technische specificaties zijn geen harde minima — een offerte die ervan afwijkt hoeft niet onregelmatig te worden verklaard — maar de aanbestedende overheid mag de afwijking wel als minpunt aanmerken bij de kwalitatieve beoordeling. Ten tweede: na onderhandelingen moet een nieuwe vergelijkende beoordeling van de aangepaste offertes worden gemaakt, en het is niet tegenstrijdig dat een ongewijzigd element daarbij anders wordt beoordeeld dan in de initiële ronde. Ten derde: de beoordelingsruimte van de aanbestedende overheid bij kwalitatieve criteria is ruim — selectieve kritiek op één motief volstaat niet om de globale beoordeling te ontkrachten. Ten vierde: technische specificaties die een indicatieve vork hanteren worden niet snel als disproportioneel beschouwd wanneer het doel (representativiteit, vergelijkbaarheid) de vork rechtvaardigt en de specificatie niet als eliminatiecriterium fungeert.

De les

Als aanbestedende overheid: indicatieve technische specificaties (zoals debietvorks) kunnen rechtmatig als beoordelingselement dienen bij kwalitatieve gunningscriteria, ook al zijn ze niet als harde minimumeis geformuleerd. Documenteer waarom bepaalde parameters belangrijk zijn (hier: representativiteit van de pilootfase) en communiceer dit ook tijdens onderhandelingen. Als inschrijver: ga er niet van uit dat 'indicatief' betekent dat afwijkingen zonder gevolg blijven — een afwijking die 13 keer lager ligt dan de ondergrens van een indicatieve vork kan wel degelijk als minpunt gelden. Wanneer de aanbestedende overheid tijdens onderhandelingen uitdrukkelijk vraagt om een aspect aan te passen, negeer dit niet in uw aangepaste offerte.

Stel jezelf de vraag

Als aanbestedende overheid: is duidelijk welke technische parameters bij de kwalitatieve beoordeling als beoordelingselement zullen dienen? Hebt u het belang van deze parameters gecommuniceerd tijdens de onderhandelingen? Als inschrijver: wijkt uw pilootvoorstel sterk af van de in het bestek vooropgestelde parameters? Hebt u in uw aangepaste offerte rekening gehouden met de bemerkingen uit het onderhandelingsgesprek?

Over deze databank

De Raad van State is het hoogste administratieve rechtscollege in België. Bij geschillen over overheidsopdrachten — van de gunning van een contract tot de uitsluiting van een inschrijver — is het de Raad van State die in laatste instantie oordeelt. De arresten in deze databank zijn door TenderWolf samengevat in begrijpelijke taal, met concrete lessen voor inschrijvers en aanbestedende overheden. Bekijk alle arresten →