Een grondig prijsonderzoek met meerdere rondes kan volstaan om een schijnbaar abnormaal lage prijs te aanvaarden — ook wanneer de gekozen inschrijver uitgaat van een lager aantal operationele dossiers door het revolving-effect
De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing van de gunning van een opdracht voor minnelijke invordering van schuldvorderingen voor de SWDE en de CILE, omdat de aanbestedende overheid binnen de grenzen van een zorgvuldige beoordeling is gebleven door de prijsverantwoording van de gekozen inschrijver te aanvaarden na een uitgebreid prijsonderzoek met meerdere rondes — en omdat de grieven over GDPR-schending bij onderaanneming in Tunesië, sociale dumping en procedurele onregelmatigheden bij de BAFO-fase niet ernstig genoeg zijn om tot schorsing te leiden.
Wat gebeurde er?
De Société wallonne des Eaux (SWDE) en de Compagnie intercommunale liégeoise des Eaux (CILE) schreven samen een opdracht uit voor diensten — de minnelijke invordering van schuldvorderingen — in het kader van de sectorregelgeving (water). De procedure was een mededingingsprocedure met onderhandeling, met een BAFO-fase. De opdracht had al een bewogen voorgeschiedenis: twee eerdere arresten (nr. 260.462 van 26 juli 2024 en nr. 261.602 van 29 november 2024) hadden geleid tot de schorsing van een vorige gunningsbeslissing, waarna de SWDE de procedure had hervat. Na een nieuwe ronde van onderhandelingen en een nieuwe BAFO-fase — waarbij vijf inschrijvers een BAFO indienden — gunde de SWDE de opdracht op 23 mei 2025 aan de nv Venturis. De bvba Étude Bordet, Huissiers de Justice (een gerechtsdeurwaarderskantoor en de zittende dienstverlener bij de CILE) vorderde op 26 juni 2025 de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en voerde acht middelen aan. Het eerste middel betrof de onregelmatigheid van de tweede BAFO-termijn: de SWDE had een eerste BAFO-deadline vastgesteld op 23 januari 2025 (7 dagen, korter dan de wettelijke 10 dagen maar zonder bezwaar van de inschrijvers), waarna zij op 5 februari 2025 die uitnodiging introk en een nieuwe BAFO-ronde organiseerde omdat een inschrijver de deadline had gemist. De verzoeker vermoedde dat die inschrijver Venturis was, maar uit het dossier bleek het om een derde inschrijver te gaan (gerangschikt als derde). Het middel was onontvankelijk: de beslissing om een nieuwe BAFO-ronde te organiseren had de verzoeker niet benadeeld, aangezien zij zelf opnieuw een BAFO had ingediend en niet was uitgesloten. Het tweede middel — het zwaartepunt — betrof het prijsonderzoek. De opdracht werkte met een commissieloon als percentage van de geïnde bedragen. De SWDE had de commissie van Venturis voor post 1 (minnelijke invordering) als schijnbaar abnormaal laag beschouwd en een prijsonderzoek in meerdere rondes gevoerd. Venturis verantwoordde haar prijs met vier argumenten: (1) het revolving-effect — van de 82.000 dossiers per jaar in het bestek kwamen er circa 40% terug bij reeds lopende invorderingsdossiers, zodat het werkelijke aantal operationele dossiers eerder 49.200 bedroeg; (2) een invorderingspercentage van 45% (het bestek vermeldde 42% na drie jaar); (3) een ingevorderd bedrag van 50 miljoen euro (het bestek vermeldde 49 miljoen); (4) het wegvallen van bepaalde diensten tussen de initiële offerte en de BAFO, waardoor de kosten daalden. De SWDE controleerde elk element en constateerde dat Venturis een winstmarge behield, ook in het minst gunstige scenario (40% invorderingspercentage, 49 miljoen euro). De Raad oordeelde dat de SWDE binnen de grenzen van een zorgvuldige beoordeling was gebleven. Cruciaal was dat de verzoeker zelf in haar offerte een vergelijkbare hergroeperingsmethodologie had toegepast, wat haar eigen argument ondermijnde. Het derde middel betrof de GDPR: Venturis besteedde een deel van haar activiteiten uit aan een Tunesische dochteronderneming. De verzoeker voerde aan dat die onderaanneming de GDPR schond (geen adequaatheidsbesluit voor Tunesië, geen geldige certificering). De Raad verwierp dit: artikel 46 GDPR verbiedt de doorgifte naar derde landen niet, mits passende waarborgen worden geboden. Het bestek had een specifiek kader voorzien (attestering door een Belgisch organisme, goedgekeurd door de SWDE), en Venturis had alle voorgeschreven documenten bijgebracht, inclusief een TIA-attest van GDPR Agency — een Belgisch organisme dat door de DPO van de SWDE was goedgekeurd. Het vierde middel (motivering van de beoordeling van het kwalitatieve criterium) was niet ernstig: de SWDE had de impact van de geschrapte diensten wel degelijk meegenomen en de score van 34/40 gemotiveerd. Het vijfde middel (sociale dumping in Tunesië) was onontvankelijk wegens vaagheid en gebrek aan concrete gegevens. Het zesde middel (Tunesische onderneming heeft geen toegang tot Belgische overheidsopdrachten) was niet ernstig: de verzoeker baseerde zich op de oude wet van 15 juni 2006, die al jaren was opgeheven. Het zevende middel (ongelijke informatie over het revolving-effect) faalde: de verzoeker had zelf als zittende dienstverlener bij de CILE kennis van het revolving-fenomeen en had een vergelijkbare techniek in haar offerte toegepast. Het achtste middel (onregelmatigheid van de onderhandelings- en BAFO-beslissingen) was onontvankelijk wegens gebrek aan benadeling. De vordering werd verworpen. Frédéric Gosselin zetelde als waarnemend voorzitter, bijgestaan door griffier Adeline Schyns. Eerste auditeur Muriel Vanderhelst gaf een eensluidend advies.
Waarom doet dit ertoe?
Dit arrest biedt een uitgebreide toepassing van het prijsonderzoek in de context van een mededingingsprocedure met onderhandeling in de sectorregelgeving. Het bevestigt dat de aanbestedende overheid een ruime beoordelingsvrijheid heeft bij het prijsonderzoek — de Raad toetst marginaal of de overheid binnen de grenzen van een zorgvuldige beoordeling is gebleven. Bijzonder is dat de overheid het revolving-effect (het feit dat een aanzienlijk deel van nieuwe dossiers terugkeert bij bestaande invorderingsdossiers) als legitieme verklaring voor een lagere prijs heeft aanvaard, en dat de verzoeker dit argument ondermijnde doordat zij zelf een vergelijkbare methodologie in haar offerte had toegepast. Het arrest verduidelijkt ook dat grieven over GDPR-schending bij onderaanneming in een derde land moeilijk slagen in een UDN-procedure, zeker wanneer het bestek zelf een specifiek kader voor doorgifte naar derde landen heeft voorzien en de inschrijver alle voorgeschreven documenten heeft bijgebracht. En het bevestigt dat een inschrijver die klaagt over ongelijke informatie, maar zelf kennis had van de bewuste informatie en een vergelijkbare techniek in haar offerte toepaste, geen discriminatie kan aantonen.
De les
Als je als inschrijver de prijs van een concurrent aanvecht, volstaat het niet om vraagtekens te plaatsen bij de aannames achter de prijsverantwoording — je moet aantonen dat de aanbestedende overheid de grenzen van een zorgvuldige beoordeling heeft overschreden. Dat is een hoge drempel. En als je zelf in je offerte een vergelijkbare methodologie hebt toegepast als die van de gekozen inschrijver (zoals het hergroeperen van dossiers), dan ondermijn je je eigen argument. Als aanbestedende overheid: documenteer je prijsonderzoek grondig, voer meerdere rondes als dat nodig is, en motiveer waarom je de verantwoording aanvaardt.
Stel jezelf de vraag
Als ik de prijsverantwoording van een concurrent aanvecht, heb ik dan gecontroleerd of ik in mijn eigen offerte niet dezelfde aannames of methodologieën heb gehanteerd die ik nu bekritiseer — en kan ik aantonen dat de overheid manifest onzorgvuldig is geweest, of stel ik alleen de opportuniteit van haar beoordeling in vraag?
Over deze databank
De Raad van State is het hoogste administratieve rechtscollege in België. Bij geschillen over overheidsopdrachten — van de gunning van een contract tot de uitsluiting van een inschrijver — is het de Raad van State die in laatste instantie oordeelt. De arresten in deze databank zijn door TenderWolf samengevat in begrijpelijke taal, met concrete lessen voor inschrijvers en aanbestedende overheden. Bekijk alle arresten →