Wanneer een aanbestedende overheid ereloonpercentages als een geldsom behandelt om de totale offerteprijs te berekenen en vervolgens acht van de tien posten als verwaarloosbaar bestempelt terwijl zij elk 10 % van het prijscriterium wegen, getuigt dat niet van een zorgvuldig prijsonderzoek
De Raad van State schorst de gunning van een raamcontract voor ontwerpers van infrastructuurprojecten, omdat de aanbestedende overheid een onzorgvuldig prijsonderzoek heeft gevoerd — zij heeft de ereloonpercentages als absolute geldbedragen behandeld om de totale offerteprijs te berekenen, en heeft acht van de tien posten als verwaarloosbaar aangemerkt terwijl elke post een afzonderlijk subgunningscriterium met gelijk gewicht vertegenwoordigde en de eerste acht posten betrekking hadden op de kernprestaties van de opdracht.
Wat gebeurde er?
De gemeente Evergem schreef een opdracht voor diensten uit — een raamcontract voor ontwerpers voor infrastructuurprojecten van beperkte omvang (opmeting, ontwerp, aanbesteding, werfopvolging, oplevering) — via een openbare procedure. De raming bedroeg 400.000 euro. Het bestek voorzag in tien posten in de inventaris. Voor de eerste acht posten moesten de inschrijvers ereloonpercentages opgeven (zoals: percentage voor ontwerp en opvolging van projecten tot 50.000 euro, tot 100.000 euro, enz.). Voor de laatste twee posten (opmaak bestek voor een raamcontract en bijkomende diensten) moesten zij absolute prijzen opgeven. Het gunningscriterium 'Prijs' (70 punten) was opgesplitst in tien afzonderlijke subgunningscriteria van elk 7 punten, één per post. Acht inschrijvers dienden een offerte in. Bij het prijsonderzoek stelde de gemeente vast dat enkel de posten 9 en 10 niet-verwaarloosbaar waren — omdat hun raming of eenheidsprijs meer dan 5 % van de totale offerteprijs bedroeg en omdat zij essentieel waren voor de opdracht. Voor die twee posten werden prijsverantwoordingen gevraagd. De overige acht posten werden als verwaarloosbaar beschouwd en niet verder onderzocht. De opdracht werd gegund aan de NV W. met een totaalscore van 92,51, tegenover 92,09 voor de BV S. (de verzoeker). Het verschil in de rangschikking ontstond grotendeels doordat de gekozen inschrijver zeer lage ereloonpercentages bood voor kleine projecten (13,41 % tegenover 20 % voor post I.1, en 4,02 % tegenover 6 % voor post I.5), wat telkens een voordeel van 2,31 punten opleverde. De verzoeker vorderde de schorsing en betoogde dat het prijsonderzoek onzorgvuldig was. De Raad stelde drie gebreken vast. Ten eerste: de gemeente had de totale offerteprijs berekend door de ereloonpercentages te behandelen als absolute geldbedragen. De offertebedragen in het verslag (van 3.162 tot 19.837 euro) waren de som van de twee absolute prijzen voor posten 9 en 10 plus de percentages als getallen — wat evident niet strookte met de werkelijke financiële omvang van de offertes bij een raming van 400.000 euro. De beoordeling van het verwaarloosbaar karakter steunde dus op een onzorgvuldige vaststelling van het offertebedrag. Ten tweede: uit het verslag van nazicht noch uit het administratief dossier bleek hoe de gemeente haar eigen parameter (meer of minder dan 5 % van de totale offerteprijs) had toegepast op de eerste acht posten, die geen prijzen maar ereloonpercentages bevatten. De motieven voor het verwaarloosbaar karakter van die posten ontbraken. Ten derde: de verwerende partij had elk van de tien posten gewaardeerd als een afzonderlijk subgunningscriterium van 7 op 70 punten. Die waardering was op het eerste gezicht niet verzoenbaar met het verwaarloosbaar verklaren van acht van die tien posten — des te meer omdat die acht posten betrekking hadden op de kernprestaties van de opdracht (ontwerp en opvolging van de projecten), terwijl de twee niet-verwaarloosbare posten als bijkomende diensten werden omschreven. De schorsing werd bevolen. (Samenstelling: Inge Vos, waarnemend voorzitter; Frank Bontinck, griffier. Eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch.)
Waarom doet dit ertoe?
Dit arrest illustreert dat het prijsonderzoek methodologisch coherent moet zijn met de opzet van het bestek. Wanneer een aanbestedende overheid ereloonpercentages als subgunningscriteria met gelijk gewicht opneemt, kan zij diezelfde posten niet bij het prijsonderzoek als verwaarloosbaar terzijde schuiven. Het arrest toont ook het belang van een correcte berekening van de totale offerteprijs: percentages als absolute getallen behandelen leidt tot een absurd laag offertebedrag dat de beoordeling van het verwaarloosbaar karakter vervalst.
De les
Als aanbestedende overheid: zorg ervoor dat je prijsonderzoek methodologisch coherent is met je bestek. Als je posten elk een afzonderlijk subgunningscriterium met gelijk gewicht toewijst, zijn die posten per definitie niet verwaarloosbaar voor de rangschikking — en dan moet je het prijsonderzoek daar ook op afstemmen. En als je bestek met ereloonpercentages werkt, bereken dan de totale offerteprijs op basis van de geraamde projectwaarden, niet door de percentages als absolute bedragen te behandelen.
Stel jezelf de vraag
Heb ik bij het prijsonderzoek gecontroleerd of de manier waarop ik de totale offerteprijs bereken, strookt met de aard van de prijzen in de inventaris — en heb ik geverifieerd dat de posten die ik als verwaarloosbaar aanmerk niet tegelijkertijd een significant gewicht dragen in de subgunningscriteria?
Over deze databank
De Raad van State is het hoogste administratieve rechtscollege in België. Bij geschillen over overheidsopdrachten — van de gunning van een contract tot de uitsluiting van een inschrijver — is het de Raad van State die in laatste instantie oordeelt. De arresten in deze databank zijn door TenderWolf samengevat in begrijpelijke taal, met concrete lessen voor inschrijvers en aanbestedende overheden. Bekijk alle arresten →