UDN-vordering consortium ASFALYS-KPMG tegen gunning ICT-diensten lot 1 aan Deloitte verworpen – enig middel over zelfevaluatiesysteem bij kwaliteitscriterium niet ernstig: kritiek te vaag en te theoretisch, grieven deels laattijdig, afstand van verificatieplicht niet aangetoond
De Raad van State verwierp de UDN-vordering van het consortium ASFALYS-KPMG tegen de gunning door de Eerste Minister van lot 1 van een overheidsopdracht voor gespecialiseerde ICT-diensten (IT23001, integratie en beheer van diensten) aan Deloitte Consulting & Advisory, omdat het enig middel niet ernstig was: de kritiek op het zelfevaluatiesysteem bij het kwaliteitscriterium — waarbij de conformiteit van offertes werd beoordeeld op basis van door de inschrijvers zelf ingevulde vragenlijsten — was te vaag en te theoretisch doordat de verzoekende partijen niet concreet aanduidden welke subcriteria tot een kennelijke beoordelingsfout zouden hebben geleid, de ter zitting aangevoerde grieven over de scores waren laattijdig, en het postulaat dat de aanbestedende overheid had afgezien van haar verificatieplicht kon niet worden vastgesteld.
Wat gebeurde er?
De Belgische Staat (vertegenwoordigd door de Eerste Minister) schreef een overheidsopdracht voor diensten uit via een openbare procedure met Europese bekendmaking voor de levering van gespecialiseerde ICT-diensten (opdracht IT23001). Het arrest betreft lot 1, met als voorwerp de integratie en het beheer van diensten, waaronder de verdere ontwikkeling van het SIAM-raamwerk (Service Integration and Management), de ontwikkeling en het onderhoud van de globale architectuur, de ondersteuning en opvolging van het projectenportfolio, het beheer van de dienstencatalogus en de ondersteuning bij activity based costing. De aankondiging werd gepubliceerd op 27 juni 2024 in het Bulletin der Aanbestedingen en op 1 juli 2024 in het Publicatieblad van de Europese Unie. Drie offertes werden ingediend: door het consortium ASFALYS-KPMG (de verzoekende partijen), door Deloitte Consulting & Advisory BV en door INNO.COM BV. Alle drie de inschrijvers werden geselecteerd en hun offertes werden regelmatig bevonden. De offertes werden beoordeeld op twee gunningscriteria: kwaliteit van de diensten (60 punten) en prijs (40 punten). Voor het kwaliteitscriterium voorzag het bestek dat de conformiteit van de offertes zou worden beoordeeld op basis van de antwoorden op vragenlijsten (zelfevaluaties) die de inschrijvers bij hun offerte moesten invullen voor elk van de subcriteria (organisatie, processen, continue verbetering en innovatie, en veiligheid). De scores waren: ASFALYS-KPMG 54,75 (kwaliteit) + 40,00 (prijs) = 94,75 totaal; Deloitte 58,26 + 39,97 = 98,23; INNO.COM 57,75 + 35,70 = 93,45. Het consortium ASFALYS-KPMG had de laagste prijs (4.007.568 EUR) maar scoorde lager op kwaliteit. Lot 1 werd gegund aan Deloitte. De gunningsbeslissing werd op 23 juli 2025 per e-mail aan de verzoekende partijen meegedeeld. ASFALYS was de vorige opdrachtnemer van een vergelijkbaar contract, toegekend in 2019 en verlengd tot eind juli 2025. Op 7 augustus 2025 dienden de verzoekende partijen een UDN-vordering in. Deloitte intervenieerde als tussenkomende partij. Het enig middel betoogde dat het zelfevaluatiesysteem in strijd was met artikel 81, §3, tweede lid van de wet van 17 juni 2016, dat vereist dat gunningscriteria vergezeld gaan van preciseringen die een concrete verificatie van de door de inschrijvers verstrekte informatie mogelijk maken, en dat de aanbestedende overheid bij twijfel de juistheid van die informatie moet verifiëren. Door zich uitsluitend te baseren op zelfevaluaties zou de aanbestedende overheid hebben afgezien van elke verificatie, wat ook het gelijkheidsbeginsel (artikel 4) zou schenden. De Raad oordeelde dat de kritiek vaag en theoretisch was. De verzoekende partijen duidden niet concreet aan welke subcriteria of sub-subcriteria van het kwaliteitscriterium tot een kennelijke beoordelingsfout zouden hebben geleid, maar lieten het aan de Raad om dit zelf uit te zoeken — wat niet de taak van de Raad is. De grieven die ter zitting werden aangevoerd over de scores en de vermeende tegenstelling tussen kwaliteits- en prijsscores, waren laattijdig omdat zij konden worden geformuleerd bij de indiening van het verzoekschrift op basis van informatie die toen al beschikbaar was. Bovendien kon het postulaat dat de aanbestedende overheid had afgezien van haar verificatieplicht niet prima facie worden aanvaard: de verzoekende partijen wezen niet op enig document waaruit een dergelijke intentie bleek. Het enig middel was niet ernstig. De vordering werd verworpen. De kosten werden gereserveerd. De vertrouwelijkheid van de offerte van de verzoekende partijen en van stukken 7 tot 14 van het administratief dossier werd gehandhaafd.
Waarom doet dit ertoe?
Dit arrest verduidelijkt de grenzen van de vrijheid van aanbestedende overheden bij het ontwerpen van gunningscriteria en het gebruik van zelfevaluaties door inschrijvers. Drie kernpunten. Ten eerste: aanbestedende overheden beschikken over een ruime keuzevrijheid bij het bepalen van gunningscriteria, mits deze verband houden met het voorwerp van de opdracht, objectief en niet-discriminerend zijn, en geen onbeperkte keuzevrijheid verlenen. Een systeem van zelfevaluatie via vragenlijsten is niet per se onwettig. Ten tweede: een middel dat de keuze van gunningscriteria bekritiseert, moet concreet en precies zijn — de verzoekende partij moet aanduiden welk specifiek (sub)criterium tot een kennelijke beoordelingsfout heeft geleid. Het volstaat niet om abstract te stellen dat het systeem als zodanig onverenigbaar is met artikel 81 van de wet van 17 juni 2016. Ten derde: grieven die konden worden geformuleerd op basis van informatie die beschikbaar was bij de indiening van het verzoekschrift, maar pas ter zitting worden aangevoerd, zijn laattijdig en dus niet-ontvankelijk.
De les
Wie een gunningsbeslissing wil aanvechten op basis van de keuze of toepassing van gunningscriteria, moet concreet aanwijzen welk specifiek criterium of subcriterium tot een fout heeft geleid. Algemene, theoretische kritiek op het beoordelingssysteem volstaat niet. Formuleer alle grieven in het verzoekschrift zelf — grieven die pas ter zitting worden aangevoerd op basis van informatie die eerder beschikbaar was, zijn laattijdig. Onderbouw de stelling dat de aanbestedende overheid haar verificatieplicht niet heeft nageleefd met concrete elementen, en niet louter met het postulaat dat een zelfevaluatiesysteem per definitie elke verificatie uitsluit.
Stel jezelf de vraag
Als verzoekende partij: duid je in je verzoekschrift concreet aan welk specifiek gunningscriterium of subcriterium tot een kennelijke beoordelingsfout heeft geleid, of blijft je kritiek abstract en theoretisch? Heb je alle grieven opgenomen in het verzoekschrift, of bewaar je argumenten voor de zitting? Als aanbestedende overheid: is je zelfevaluatiesysteem vergezeld van preciseringen die een concrete verificatie mogelijk maken? Heb je bij twijfel de juistheid van de verstrekte informatie geverifieerd?
Over deze databank
De Raad van State is het hoogste administratieve rechtscollege in België. Bij geschillen over overheidsopdrachten — van de gunning van een contract tot de uitsluiting van een inschrijver — is het de Raad van State die in laatste instantie oordeelt. De arresten in deze databank zijn door TenderWolf samengevat in begrijpelijke taal, met concrete lessen voor inschrijvers en aanbestedende overheden. Bekijk alle arresten →