Verzoekster verliest op spoed — maar de Staat betaalt toch alle kosten wegens misleidende verwijzing naar artikel 15 wet 17 juni 2013
De Raad van State verwerpt een UDN-vordering tegen de niet-selectie voor een advocatenopdracht van de Dienst Vreemdelingenzaken omdat die opdracht krachtens artikel 28 van de wet 17 juni 2016 buiten het toepassingsgebied valt en dus ook buiten de rechtsbeschermingswet van 17 juni 2013 — maar veroordeelt de Staat in de kosten omdat zijn kennisgeving verkeerdelijk naar artikel 15 van die wet verwees en de verzoekster zo misleidde.
Wat gebeurde er?
De Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) werkt sinds 1 juli 2021 samen met zeven advocatenkantoren voor de vertegenwoordiging van de Belgische Staat in vreemdelingenrechtelijke geschillen. Het contract loopt af op 30 juni 2026. Op 13 mei 2025 schrijft de DVZ de stafhouders aan om kandidaten te vragen voor de volgende termijn, uitdrukkelijk onder verwijzing naar artikel 28, §1, 4°, a) en b) van de wet van 17 juni 2016 — de uitsluitingsgrond voor advocatenopdrachten. Verzoekster, een éénmanskantoor dat al sinds 2021 voor de DVZ werkt, dient op 29 augustus 2025 haar kandidatuur in volgens de toegezonden selectievoorwaarden (ervaring in vreemdelingenrecht + organisatie van het kantoor, met bijzondere nadruk op beschikbaarheid, wachtdienst, gelijktijdige vertegenwoordiging). Op 18 februari 2026 beslist de DVZ om haar kandidatuur niet te weerhouden. Motieven: éénmanskantoor, geen structureel secretariaat (steun op freelance medewerker), onvoldoende concreet ingegaan op weekend- en nachtpermanenties, externe samenwerkingen die niet structureel zijn georganiseerd, structurele inzetbaarheid beperkt tot één advocaat. Conclusie: de organisatie is onvoldoende robuust om de vereiste beschikbaarheid te garanderen. In de kennisgevingsbrief verwijst de DVZ voor de rechtsmiddelen naar artikel 15 van de wet 17 juni 2013 en een termijn van vijftien dagen. Verzoekster dient op 4 maart 2026 een UDN-schorsing in, met verwijzing naar die bepaling. De verwerende partij werpt op: de advocatenopdracht valt onder de uitsluiting van artikel 28, §1, 4°, a) en b) wet 17 juni 2016 — uitdrukkelijk bevestigd in de kandidaatstellingsbrief van 13 mei 2025 én in de bestreden beslissing zelf. Dat er wél een transparante marktraadpleging wordt gehouden op grond van artikel 125 KB 18 april 2017 (een uitvoering van de machtiging in artikel 28, §2) verandert daaraan niets — integendeel. Nu de opdracht buiten de wet 17 juni 2016 valt, valt ze ook buiten de wet 17 juni 2013 (die volgens haar artikelen 3 en 28 enkel op onder die wet vallende opdrachten van toepassing is). Er geldt dus geen UDN-regime op basis van artikel 15 wet 17 juni 2013, maar wel het gemeenrechtelijke regime van artikel 17 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State — met als cumulatieve voorwaarden een ernstig middel én spoedeisendheid. De XIVe kamer volgt deze analyse volledig. Het voorwerp van de selectieprocedure valt kennelijk onder artikel 28, §1, 4°, a) en b). Artikel 15 wet 17 juni 2013 is niet van toepassing; de foutieve verwijzing in de kennisgeving doet daaraan niets af. De gemeenrechtelijke spoedeisendheidstoets wordt toegepast: een verzoeker moet in het verzoekschrift aan de hand van precieze, concrete en verifieerbare gegevens aantonen dat een gewone schorsingsprocedure onherroepelijk te laat zou komen. Verzoekster verwijst enkel naar de ingangsdatum van de nieuwe opdracht op 1 juli 2026 — meer dan drie maanden weg. Dat volstaat niet. Ook haar terechtzittingsargument dat zij zich de voorbije vijf jaar vanwege het belangenconflictverbod op één rechtsdomein en één cliënt heeft toegelegd, redt haar niet: spoedeisendheid vereist concrete gegevens, niet algemene beschouwingen. Cruciale kink in de kabel: bij de kostenregeling zet de Raad van State een niet-vanzelfsprekende stap. De verwerende partij wordt in de kosten verwezen, ondanks dat ze de zaak heeft gewonnen. Reden: zij heeft in haar kennisgeving verkeerdelijk verwezen naar artikel 15 wet 17 juni 2013, en zo verzoekster misleid over de toepasselijke rechtsmiddelen en de te volgen procedure. De gebrekkigheid die tot verwerping heeft geleid valt in beslissende mate aan die onzorgvuldigheid toe te schrijven. De Staat krijgt dus geen rechtsplegingsvergoeding, en moet zelf het rolrecht van 200 euro en de bijdrage van 26 euro dragen — een ongebruikelijke kostenbeslissing die de sanctie op een slordige rechtsmiddelvermelding zichtbaar maakt.
Waarom doet dit ertoe?
Advocatenopdrachten, expertopdrachten, en andere 'intuitu personae'-diensten uit artikel 28 wet 17 juni 2016 worden vaak geplaatst zonder dat partijen volledig beseffen dat de wet 17 juni 2013 (met haar UDN-regime, wachttermijn, verkorte beroepstermijn) niet geldt. Wie zich op de verkeerde bepaling beroept, loopt het risico op spoedeisendheid te stranden — zoals hier. Omgekeerd: aanbesteders die 'voor de zekerheid' in hun kennisgevingsbrief naar artikel 15 wet 17 juni 2013 verwijzen, creëren een verwachting waaraan ze zelf niet voldoen, en kunnen daarvoor in de kosten worden veroordeeld — zelfs als ze de zaak inhoudelijk winnen. Voor zowel gunners als kandidaten is de les dezelfde: check vóór alles of de opdracht binnen of buiten het toepassingsgebied van de overheidsopdrachtenwet valt.
De les
Als je een opdracht plaatst die onder de uitsluiting van artikel 28 wet 17 juni 2016 valt (advocaten, bepaalde juridische adviezen, sommige onderzoek- en ontwikkelingsdiensten), gebruik dan in je kennisgeving NIET het standaardmodel dat naar artikel 15 wet 17 juni 2013 verwijst. Verwijs correct naar artikel 17 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Als je als kandidaat een niet-selectiebeslissing ontvangt met een verwijzing naar artikel 15 wet 17 juni 2013, controleer eerst zelf of de opdracht onder die wet valt — doe het niet blind op basis van wat de brief zegt. Voor UDN onder artikel 17 gecoördineerde wetten moet je de spoedeisendheid concreet, specifiek en verifieerbaar onderbouwen: een verwijzing naar de ingangsdatum van de opvolgingsopdracht alleen is niet genoeg als die datum meer dan drie maanden weg is.
Te onthouden
- Advocatenopdrachten voor vertegenwoordiging in rechte vallen onder de uitsluiting van artikel 28, §1, 4°, a) en b) wet 17 juni 2016 — ook wanneer een transparante marktraadpleging op grond van artikel 125 KB 18 april 2017 wordt gehouden.
- Omdat de wet 17 juni 2013 enkel geldt voor opdrachten die onder de wet 17 juni 2016 vallen, kan een verzoeker tegen een niet-selectie in een advocatenopdracht géén UDN-vordering op artikel 15 wet 17 juni 2013 steunen — het reguliere artikel 17 van de gecoördineerde wetten geldt.
- Onder artikel 17 van de gecoördineerde wetten moet de spoedeisendheid cumulatief met het ernstig middel worden aangetoond — en concreet, specifiek en verifieerbaar worden onderbouwd in het verzoekschrift zelf.
- Een verwijzing naar een toekomstige datum drie maanden weg is op zich geen voldoende bewijs van spoedeisendheid — die termijn laat een gewone schorsingsprocedure toe.
- Een aanbesteder die in de kennisgeving naar de verkeerde rechtsbasis verwijst kan in de kosten veroordeeld worden — ook als hij de zaak inhoudelijk wint — omdat zijn onzorgvuldigheid in beslissende mate tot het falen van de vordering heeft bijgedragen.
Waarop letten
- Je standaardkennisgeving 'kennisgeving gunningsbeslissing' verwijst automatisch naar artikel 15 wet 17 juni 2013 — dit moet worden aangepast voor opdrachten onder artikel 28 uitsluitingen.
- Je opdracht valt onder artikel 28 uitsluitingen maar je organiseert toch een transparante marktraadpleging — dat maakt de opdracht niet plots onderworpen aan de wet 17 juni 2016.
- Als kandidaat ontvang je een kennisgeving met 'beroep binnen vijftien dagen ex artikel 15 wet 17 juni 2013' — verifieer eerst de rechtsbasis voor je je vordering opbouwt op die (mogelijk onjuiste) vermelding.
- Je spoedeisendheidsuiteenzetting beperkt zich tot 'de nieuwe opdracht start op datum X' — dit is structureel ontoereikend zonder concrete en verifieerbare schade-elementen.
Stel jezelf de vraag
Voor aanbesteders: staat er in je standaardkennisgeving automatisch 'artikel 15 wet 17 juni 2013' in de beroepsmiddelenparagraaf? Zo ja, heb je dat gecheckt voor opdrachten die onder artikel 28 wet 17 juni 2016 vallen (advocaten, sommige R&D, civiele bescherming, …)? Voor kandidaten: heb je vóór het indienen van je UDN-verzoek zelf vastgesteld welke rechtsbasis van toepassing is, en heb je de spoedeisendheid met concrete cijfers onderbouwd (termijnen, schade, omzetverlies) in plaats van enkel naar een toekomstige datum te verwijzen?
Over deze databank
De Raad van State is het hoogste administratieve rechtscollege in België. Bij geschillen over overheidsopdrachten — van de gunning van een contract tot de uitsluiting van een inschrijver — is het de Raad van State die in laatste instantie oordeelt. De arresten in deze databank zijn door TenderWolf samengevat in begrijpelijke taal, met concrete lessen voor inschrijvers en aanbestedende overheden. Bekijk alle arresten →