Middelkerke trekt de evenementenopdracht in: het hele UDN-beroep wordt zonder voorwerp — en hier volgt géén kostenveroordeling
Nadat de gemeente Middelkerke een raamovereenkomst voor klank, licht en technisch personeel bij evenementen niet aan de BV V. maar aan een derde had gegund en de verzoeker daartegen de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid had gevorderd, trok de gemeente de bestreden beslissing in de loop van de procedure in; daardoor verloor de vordering in haar geheel haar voorwerp — ook wat de gevorderde schorsing van de impliciete niet-gunningsbeslissing betreft — en verwierp de Raad van State het beroep, deze keer zónder enige kostenveroordeling.
Wat gebeurde er?
De gemeente Middelkerke organiseerde een overheidsopdracht voor het sluiten van een raamovereenkomst voor het huren van extra klank en licht en het ter beschikking stellen van extra technisch personeel bij de organisatie van evenementen, en koos daarvoor een openbare procedure overeenkomstig artikel 36 van de wet van 17 juni 2016. Bij beslissing van 6 januari 2026 besliste de gemeente de opdracht niet aan de BV V. te gunnen; de opdracht werd aan een derde gegund. Op 5 maart 2026 stelde de BV V. een beroep in en vorderde zij de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van drie beslissingen: de keuze voor de openbare procedure, de beslissing om niet aan haar te gunnen, en de gunning aan de derde. Bij beschikkingen van 5 en 20 maart 2026 werd, in samenspraak met het aangeduide lid van het auditoraat, de procedurekalender vastgesteld; de terechtzitting vond plaats op 22 april 2026. Kamervoorzitter Geert Debersaques bracht verslag uit en eerste auditeur Ines Martens gaf een met het arrest eensluidend advies. Tot een inhoudelijk debat kwam het niet: de gemeente trok de bestreden beslissing in de loop van de procedure in, nadat de UDN-zitting eerst was vastgesteld. Door die intrekking, zo oordeelde de Raad van State, was de voorliggende vordering in haar geheel zonder voorwerp, ook wat de gevorderde schorsing van de impliciete beslissing om de opdracht niet aan de verzoeker te gunnen betreft. De Raad verwierp dan ook de vordering. Anders dan in twee parallelle zaken van dezelfde dag bevat het beschikkende gedeelte van dit arrest geen kostenveroordeling: de Raad sprak zich niet uit over rolrecht, bijdrage of rechtsplegingsvergoeding.
Waarom doet dit ertoe?
Dit arrest hoort bij een reeks uitspraken van dezelfde dag waarin een aanbesteder een betwiste beslissing introk en het UDN-beroep daardoor zonder voorwerp werd. Het is leerzaam juist omdat het op één punt afwijkt van zijn buren: hier volgt geen kostenveroordeling. In de parallelle zaken tegen Actiris en Fluvius verwees de Raad de aanbesteder telkens in de kosten, inclusief een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro; in deze zaak tegen Middelkerke verwierp de Raad de vordering zonder zich over de kosten uit te spreken. Voor de praktijk betekent dit dat het kostengevolg van een intrekking niet automatisch in het voordeel van de verzoeker uitvalt: dat het beroep zijn voorwerp verliest, leidt op zichzelf niet tot een kostenveroordeling van de overheid. Inhoudelijk illustreert het arrest ook dat de UDN-procedure niet alleen openstaat tegen de uitdrukkelijke gunning aan een concurrent, maar ook tegen de impliciete beslissing om niet aan de verzoeker te gunnen en zelfs tegen de voorafgaande keuze van de plaatsingsprocedure — al vielen die voorwerpen hier allemaal samen weg door de intrekking.
De les
Voor een afgewezen inschrijver is de boodschap tweeledig. Ten eerste blijft de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid een doeltreffend middel: ook hier bewoog de vordering de aanbesteder tot het intrekken van zijn beslissing, nog vóór een inhoudelijk oordeel. Ten tweede mag u er niet zomaar van uitgaan dat een intrekking u uw kosten oplevert. In dit arrest verwierp de Raad de vordering zonder enige kostenveroordeling, terwijl in de parallelle zaken van dezelfde dag de overheid wél in de kosten en de rechtsplegingsvergoeding werd verwezen. Wie zijn kosten en rechtsplegingsvergoeding wil recupereren, doet er dus goed aan die uitdrukkelijk en tijdig te vorderen, zodat de Raad zich erover kan uitspreken. Voor de aanbesteder toont het arrest dat intrekken een effectieve manier blijft om een betwiste plaatsings- of gunningsbeslissing van tafel te halen en de vordering haar voorwerp te ontnemen — en dat dit, anders dan vaak gevreesd, niet steeds met een kostenveroordeling gepaard gaat.
Te onthouden
- Wanneer de aanbesteder de bestreden beslissing intrekt terwijl een UDN-vordering loopt, verliest de vordering in haar geheel haar voorwerp — ook de gevorderde schorsing van de impliciete niet-gunningsbeslissing.
- De opdracht betrof een raamovereenkomst voor klank, licht en technisch personeel bij evenementen, gegund via een openbare procedure (artikel 36 wet 17 juni 2016).
- Anders dan in de parallelle zaken van dezelfde dag (Actiris, Fluvius) verwierp de Raad de vordering zónder enige kostenveroordeling: geen rolrecht, bijdrage of rechtsplegingsvergoeding.
- Het kostengevolg van een intrekking is dus niet automatisch gunstig voor de verzoeker; het verlies van voorwerp leidt op zichzelf niet tot een kostenveroordeling van de overheid.
- De UDN-vordering was ook gericht tegen de keuze van de plaatsingsprocedure en de impliciete niet-gunningsbeslissing, niet enkel tegen de uitdrukkelijke gunning aan de derde.
Waarop letten
- Het ontbreken van een kostenveroordeling: een beroep dat zonder voorwerp eindigt, levert niet vanzelf een rechtsplegingsvergoeding op.
- De noodzaak om kosten en rechtsplegingsvergoeding uitdrukkelijk en tijdig te vorderen, zodat de Raad zich erover kan uitspreken.
- De ruime inzet van de UDN-vordering: gunning aan de derde, impliciete niet-gunning én de keuze van de plaatsingsprocedure.
- Het contrast met de arresten 266637 (Fluvius) en 266638 (Actiris) van dezelfde dag, waarin de overheid wél in de kosten werd verwezen.
Stel jezelf de vraag
Hebt u, als afgewezen inschrijver, niet alleen de gunning aan de concurrent maar ook de impliciete beslissing om niet aan u te gunnen tijdig aangevochten via de UDN-procedure? En als de aanbesteder zijn beslissing intrekt: hebt u uw rechtsplegingsvergoeding en kosten uitdrukkelijk gevorderd, beseffend dat een verlies van voorwerp niet automatisch tot een kostenveroordeling van de overheid leidt — zoals dit arrest, dat zonder kostenuitspraak eindigt, illustreert? Als aanbesteder: weet u dat het intrekken van een betwiste beslissing de vordering in haar geheel zonder voorwerp kan maken, en dat een kostenveroordeling daarbij niet vanzelfsprekend is?
Gerelateerde arresten
Over deze databank
De Raad van State is het hoogste administratieve rechtscollege in België. Bij geschillen over overheidsopdrachten — van de gunning van een contract tot de uitsluiting van een inschrijver — is het de Raad van State die in laatste instantie oordeelt. De arresten in deze databank zijn door TenderWolf samengevat in begrijpelijke taal, met concrete lessen voor inschrijvers en aanbestedende overheden. Bekijk alle arresten →