Zeven referenties van Klubb France, maar geen handtekening van Klubb France: één ontbrekende bijlage kost Mondia Klubb Group haar plaats op de ORES-shortlist
Mondia Klubb Group voegde bij haar kandidatuur voor de ORES-raamovereenkomst voor hoogwerkervoertuigen wel het DUME en de referenties van de Franse vennootschap Klubb France, maar niet haar verbintenisverklaring — enkel die van zusterbedrijf Klubb Group — en de Raad van State oordeelt dat ORES die referenties terecht buiten beschouwing liet en het ontbrekende stuk niet achteraf mocht laten aanvullen, zodat zowel de schorsing als de gevraagde voorlopige maatregel wordt verworpen.
Wat gebeurde er?
De intercommunale ORES Assets lanceerde op 17 december 2025 een raamovereenkomst voor de levering van bedrijfsvoertuigen met een mobiele hoogwerker (PEMP), inclusief het onderhoud van het geheel: onderhandelingsprocedure met voorafgaande oproep tot mededinging, looptijd tot acht jaar, maximale waarde 75 miljoen euro, drie selectiecriteria en maximaal drie kandidaten die een offerte zouden mogen indienen. Vijf ondernemingen dienden een kandidatuur in. Bij de eerste selectie van 18 maart 2026 zat Mondia Klubb Group er nog wél bij; die beslissing werd op 4 mei 2026 door arrest nr. 266.578 geschorst op vordering van Comet Belgium, precies omdat de motivering niet duidelijk maakte hoe ORES met de kandidatuur van Mondia was omgegaan. Uit het dossier bleek immers dat Mondia in haar DUME had aangekruist géén beroep te doen op de draagkracht van derden, terwijl zij de DUME’s van twee Franse vennootschappen bijbracht — de SASU Klubb France en de SAS Klubb Group — en dat 471 van de 475 weerhouden referenties voor het eerste selectiecriterium en alle zeven voor het tweede op naam van Klubb France stonden, een vennootschap die geen verbintenisverklaring en geen uitsluitingsattesten had voorgelegd. ORES trok haar beslissing op 20 mei 2026 in en herbeoordeelde alle kandidaturen. In de selectiefiche van 16 juni 2026 trok zij de conclusie: aangezien alleen Klubb Group een verbintenisverklaring had getekend en Klubb France niet, konden de referenties van Klubb France niet in aanmerking worden genomen. Wat op naam van Mondia zelf overbleef, was voor het eerste criterium één verkoop in 2022, drie in 2023, geen in 2024 en één in 2025 — te weinig — en voor het tweede criterium geen enkele referentie, terwijl er drie vereist waren. Op 17 juni 2026 besliste de raad van bestuur om France Élévateur Benelux en HDW Belux te selecteren en Mondia Klubb Group en Comet Belgium niet. Mondia vorderde de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en een voorlopige maatregel: een verbod voor ORES om het bestek aan de twee weerhouden kandidaten te bezorgen. Haar eerste middel, in drie onderdelen, verweet ORES zich te hebben gebaseerd op een louter materiële vergissing — het aangekruiste ‘nee’ in het DUME — en op een verkeerde lezing van de DUME’s van de derde entiteiten, die als derden juist ‘nee’ moesten antwoorden op de vraag of zíj op andermans draagkracht steunden. De Raad verwierp dat middel in al zijn onderdelen omdat het op een verkeerde lezing van de bestreden beslissing berust: ORES stelde de fouten in de DUME’s wel vast, maar baseerde de niet-selectie er niet op. Zij had de wil van Mondia om op de draagkracht van Klubb France te steunen integendeel wél erkend, en enkel geoordeeld dat zij bij gebrek aan verbintenisverklaring van die vennootschap alleen de referenties op naam van Mondia zelf kon meetellen. Het tweede middel ging over het recht op regularisatie. Mondia voerde aan dat ORES haar had moeten toelaten de ontbrekende bijlage 6 alsnog voor te leggen, zeker omdat andere kandidaten — France Élévateur Benelux bij e-mail van 30 januari 2026 — die kans wel hadden gekregen, en dat de bestreden beslissing zelf vermeldt dat de aanbesteder bijkomende inlichtingen had gevraagd met toepassing van artikel 147, § 4 van de wet van 17 juni 2016. De Raad vertrok van de functie van het stuk: een kandidaat kan de referenties van een derde slechts inroepen als die derde zich effectief verbindt zijn middelen ter beschikking te stellen voor de uitvoering; zonder die verbintenis tellen die referenties niet mee. De verbintenisverklaring is daarmee een essentieel document van de aanvraag tot deelneming — wat Mondia zelf niet betwistte, nu zij een recht op regularisatie inriep. Vervolgens paste de Raad het arrest Esaprojekt van het Hof van Justitie toe (4 mei 2017, C-387/14): na het verstrijken van de indieningstermijn mag een ondernemer geen stukken nazenden die niet in zijn oorspronkelijke offerte stonden, zoals een door een derde uitgevoerd contract en de verbintenis van die derde, omdat dit geen punctuele verduidelijking is maar een wezenlijke wijziging die raakt aan de identiteit van de ondernemer en aan het nazicht van zijn bekwaamheid. De Raad zag geen reden waarom dat verbod niet zou gelden voor de aanvraag tot deelneming in een tweefasige procedure, waar het bestaan van de verbintenis net in de selectiefase wordt nagegaan, en evenmin waarom het niet zou gelden in de speciale sectoren. Het DUME op naam van Klubb France en haar referenties tonen wel de wíl om op die derde te steunen, maar leveren geen bewijs — zelfs geen begin van bewijs — dat Klubb France zich verbond; dat bewijs moet uitgaan van wie bevoegd is om haar te verbinden, en zo’n stuk zat niet in de kandidatuur. Dat Mondia na de kennisgeving van haar niet-selectie alsnog een verbintenisverklaring bezorgde, zelfs gedateerd vóór de indiening van haar kandidatuur, veranderde niets: ORES kon het bestaan van dat document op het moment van haar beslissing niet veronderstellen, nu het deelnemingsformulier duidelijk voorschreef dat bijlage 6 ingevuld bij de kandidatuur moest zitten. Het komt de ondernemer toe zijn dossier zorgvuldig samen te stellen en op volledigheid te controleren. Artikel 147, § 4 van de wet verleent bovendien enkel een mogelijkheid, geen verplichting, om de kandidaat te bevragen. De Raad ontleedde daarna de drie arresten die Mondia inriep. Arrest nr. 229.676 van 22 december 2014 dateert van vóór Esaprojekt, spreekt alleen van een mogelijkheid om de verbintenisverklaring te laten voorleggen, en besluit juist dat de aanbesteder zonder zo’n verbintenis de draagkracht van de derde niet mag inroepen — de bestreden beslissing stemt daarmee overeen. Arrest nr. 260.179 van 19 juni 2024 schorste een niet-selectie omdat die op feitelijk onjuiste motieven steunde: de aanbesteder had zich vergist in de identiteit van de kandidaat, en verduidelijkingen daarover mogen wel degelijk worden gevraagd. Arrest nr. 252.475 van 20 december 2021 past artikel 74, § 4 van het KB van 18 juni 2017 toe omdat paragraaf 1, vierde lid, het ontbreken van een DUME als substantiële onregelmatigheid aanmerkt; het past die bepaling niet ‘naar analogie’ toe op de kandidatuurfase. Het regelmatigheidsregime van de offertes geldt trouwens niet voor het nazicht van de bekwaamheid van een ondernemer om de opdracht uit te voeren. Over het verwijt van ongelijke behandeling volgde de Raad prima facie de uitleg van ORES: de vragen aan de andere kandidaten betroffen preciseringen, aanvullingen of actualiseringen van gegevens die al in hun dossier zaten, niet het aanleveren van een ontbrekend essentieel stuk — objectief verschillende situaties. Omdat geen enkel middel ernstig was, werd ook de gevraagde voorlopige maatregel afgewezen. De stukken II.1 en II.2 van de verzoekster en A tot M van ORES bleven vertrouwelijk, de onmiddellijke uitvoering van het arrest werd bevolen en Mondia werd veroordeeld tot het rolrecht van 200 euro, de bijdrage van 26 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro. Het beroep was onontvankelijk in zoverre het gericht was tegen de nog onbestaande gunningsbeslissing. ORES had in de selectiefiche nog genoteerd dat zij, gelet op de niet-selectie, niet verder hoefde te onderzoeken of Mondia zich in een geval van facultatieve uitsluiting bevond wegens elementen over haar gerechtelijke reorganisatie die in de eerste procedure ter sprake waren gekomen.
Waarom doet dit ertoe?
Dit arrest trekt een scherpe lijn die in de praktijk vaak wordt onderschat: het verschil tussen laten zien dát je op een derde steunt en bewijzen dát die derde zich verbindt. Mondia had alles wat op het eerste gezicht overtuigt — een DUME op naam van Klubb France, zeven referenties van die vennootschap, een presentatie van haar technologie — behalve het enige stuk dat juridisch telt: de handtekening van Klubb France zelf onder bijlage 6. De Raad noemt dat geen formaliteit maar een essentieel document, en weigert het als herstelbaar gebrek te behandelen. Daarmee wordt Esaprojekt uitgebreid naar twee situaties waarover het Hof zich niet uitdrukkelijk had uitgesproken: de aanvraag tot deelneming in een tweefasige procedure, en de speciale sectoren. Even belangrijk is wat het arrest zegt over artikel 147, § 4 van de wet van 17 juni 2016. Die bepaling wordt door inschrijvers graag gelezen als een vangnet, maar ze verleent de aanbesteder enkel een mogelijkheid. Dat andere kandidaten wél vragen kregen, maakt dat niet anders zolang die vragen gingen over het preciseren of actualiseren van wat al in het dossier zat. De grens ligt bij het aanvullen van iets dat er niet was — precies de grens die het Hof in Esaprojekt trok. Het arrest weerlegt ook een gevoelsmatig sterk argument: Mondia legde na haar niet-selectie een verbintenisverklaring voor die gedateerd was vóór de indiening van haar kandidatuur. De Raad antwoordt nuchter dat de aanbesteder op het moment van beslissen het bestaan van een document dat niet in het dossier zat, niet kon veronderstellen. Wie de verbintenis werkelijk al had, moest ze gewoon meesturen. Ten slotte is dit het spiegelbeeld van arrest nr. 267.455 van dezelfde dag. Comet Belgium won in mei de schorsing van de eerste selectie, onder meer door te wijzen op de zwakke plek in Mondia’s dossier; bij de herbeoordeling verloor Mondia daardoor haar plaats, en Comet zelf raakte er evenmin door. Het herstelwerk dat ORES leverde, hield beide keren stand. Dat is een nuchtere les over wat procederen tegen een selectiebeslissing oplevert: een strengere tweede lezing, waarvan de uitkomst voor niemand vaststaat.
De les
Steunt u op de draagkracht van een groepsvennootschap, controleer dan of het stuk dat u bijvoegt afkomstig is van precies de entiteit wier referenties u inroept. Referenties van de Franse dochter met een verbintenisverklaring van de Franse moeder is niet hetzelfde, ook al lijkt het commercieel één huis: een filiaal blijft juridisch een aparte entiteit. Zet daarom naast elk selectiecriterium op een rij welke entiteit de referentie levert en of van die entiteit zowel de verbintenisverklaring als de uitsluitingsattesten in het dossier zitten, ondertekend door wie haar volgens haar eigen statuten kan verbinden. Reken er niet op dat u dat later rechtzet: een ontbrekende verbintenisverklaring is geen materiële vergissing die de aanbesteder mag laten verbeteren, en artikel 147, § 4 geeft hem enkel de mogelijkheid om te vragen, niet de plicht. Dat andere kandidaten vragen kregen, helpt u niet zolang die vragen over preciseringen gingen en uw probleem een ontbrekend stuk is. En als u de verklaring al had liggen op de dag van indiening: dat maakt achteraf geen verschil, want de aanbesteder beoordeelt wat hij voor zich heeft. Bent u aanbesteder, dan bevestigt dit arrest uw ruimte om streng te zijn — op voorwaarde dat u het uitlegt. Schrijf in uw selectiefiche waarom u het ontbrekende stuk als essentieel beschouwt, waarom een bijkomende vraag hier neer zou komen op het verhelpen van een gebrek in plaats van op een verduidelijking, en waarom de kandidaten die u wél bevraagde zich in een objectief andere situatie bevonden. Die drie zinnen zijn hier het verschil tussen een beslissing die standhoudt en het motiveringsgebrek dat drie maanden eerder de eerste ronde onderuithaalde.
Te onthouden
- Een kandidaat kan de referenties van een derde slechts inroepen als die derde zich effectief verbindt zijn middelen ter beschikking te stellen; zonder verbintenisverklaring blijven die referenties buiten beschouwing, hoeveel het er ook zijn.
- De verbintenisverklaring is een essentieel document van de aanvraag tot deelneming en kan niet na de indieningstermijn worden aangevuld — het arrest Esaprojekt (HvJ 4 mei 2017, C-387/14) geldt prima facie ook voor de kandidatuurfase van een tweefasige procedure en ook in de speciale sectoren.
- Een DUME op naam van de derde en referenties op haar naam tonen de wil om op haar draagkracht te steunen, maar vormen geen begin van bewijs van haar verbintenis; dat bewijs moet uitgaan van wie bevoegd is om de derde te verbinden.
- Dat de verbintenisverklaring achteraf wordt voorgelegd met een datum van vóór de indiening, doet niet ter zake: de aanbesteder kon het bestaan ervan bij zijn beslissing niet veronderstellen.
- Artikel 147, § 4 van de wet van 17 juni 2016 verleent de aanbesteder een mogelijkheid om te laten aanvullen of verduidelijken, geen verplichting.
- Verduidelijkingsvragen aan andere kandidaten schenden de gelijkheid niet wanneer ze sloegen op het preciseren of actualiseren van reeds aanwezige gegevens, en niet op het aanleveren van een ontbrekend essentieel stuk.
- Het regelmatigheidsregime van de offertes (art. 74 KB 18 juni 2017) geldt niet voor het nazicht van de bekwaamheid van de ondernemer; arrest nr. 252.475 past dat artikel niet naar analogie toe op de kandidatuurfase.
- Omdat geen enkel middel ernstig was, viel ook de gevraagde voorlopige maatregel — een verbod om het bestek aan de weerhouden kandidaten te bezorgen — weg. Mondia draagt 200 euro rolrecht, 26 euro bijdrage en 770 euro rechtsplegingsvergoeding.
Waarop letten
- Het onderscheid tussen de entiteit die de referenties levert en de entiteit die de verbintenisverklaring tekent, ook binnen één groep.
- Het verschil tussen een materiële vergissing in een DUME (verbeterbaar) en een ontbrekend essentieel stuk (niet verbeterbaar).
- De draagwijdte van artikel 147, § 4: een mogelijkheid, geen recht van de kandidaat.
- Dat een beroep op ongelijke behandeling maar slaagt als de vergeleken situaties werkelijk vergelijkbaar zijn — verduidelijken is iets anders dan aanvullen.
- De vaststelling dat een succesvolle schorsing door een concurrent de hele selectie kan doen overdoen, met een uitkomst die ook voor de oorspronkelijk geselecteerden ongunstig kan uitvallen.
- Dat de Raad hier prima facie oordeelt in het kader van de uiterst dringende noodzakelijkheid; het annulatiedebat blijft open.
Stel jezelf de vraag
Hebt u per selectiecriterium nagegaan welke entiteit de referentie aanlevert, en zit van precies díe entiteit de ondertekende verbintenisverklaring in uw dossier — niet die van haar moeder of zuster? Is die verklaring getekend door iemand die de entiteit volgens haar eigen nationale recht kan verbinden, en hebt u het stuk dat dat aantoont? Hebt u het antwoord op de DUME-vraag over het beroep op de draagkracht van derden consistent ingevuld met wat uw dossier feitelijk laat zien? Beseft u dat een verbintenisverklaring die u wel bezit maar niet meestuurt, juridisch niet bestaat op de dag van de beoordeling? En als aanbesteder: legt uw selectiefiche uit waarom het ontbrekende stuk essentieel is, waarom een bijkomende vraag hier geen verduidelijking maar een aanvulling zou zijn, en waarom de kandidaten die u wél bevroeg zich in een andere situatie bevonden?
Gerelateerde arresten
Over deze databank
De Raad van State is het hoogste administratieve rechtscollege in België. Bij geschillen over overheidsopdrachten — van de gunning van een contract tot de uitsluiting van een inschrijver — is het de Raad van State die in laatste instantie oordeelt. De arresten in deze databank zijn door TenderWolf samengevat in begrijpelijke taal, met concrete lessen voor inschrijvers en aanbestedende overheden. Bekijk alle arresten →