Geen verzoek tot voortzetting na verwerping UDN leidt tot vermoeden van afstand van geding — gevorderde verhoging van de rechtsplegingsvergoeding wordt geweigerd bij versnelde afdoening
De Raad van State spreekt de afstand van geding uit nadat de verzoekende partijen — een tijdelijke maatschap wier offerte voor een raamovereenkomst voor geofysisch bodemonderzoek substantieel onregelmatig was bevonden — na de verwerping van hun UDN-vordering bij arrest nr. 262.413 van 19 februari 2025 geen verzoek tot voortzetting van de vernietigingsprocedure indienden binnen de wettelijke termijn van dertig dagen na kennisgeving, en herleidt de door de verwerende partij gevorderde rechtsplegingsvergoeding van 924 euro tot het basisbedrag van 770 euro omdat bij versnelde afdoening via artikel 11/3 geen verhoging verschuldigd is.
Que s'est-il passé ?
Het Vlaamse Gewest, intern verzelfstandigd Agentschap Onroerend Erfgoed, schreef een raamovereenkomst uit voor geofysisch bodemonderzoek op diverse sites in Vlaanderen (bestek nr. 2024-IA-0060). De NV T. en de BV S. vormden samen een tijdelijke maatschap en dienden een offerte in. Op 19 december 2024 bevond het Agentschap de offerte van de tijdelijke maatschap substantieel onregelmatig en sloot haar uit van verdere beoordeling. Dezelfde dag werd de opdracht gegund aan een derde (W). De tijdelijke maatschap stelde op 17 februari 2025 een vernietigingsberoep in tegen drie beslissingen: de onregelmatigverklaring, de gunning aan W, en de impliciete weigering om aan de tijdelijke maatschap te gunnen. Tegelijk werd een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid ingesteld. Bij arrest nr. 262.413 van 19 februari 2025 werd de UDN-vordering verworpen. Dat arrest werd op 5 maart 2025 ter kennis gebracht van de verzoekende partijen. De verzoekende partijen dienden binnen de wettelijke termijn van dertig dagen na die kennisgeving geen verzoek tot voortzetting van de vernietigingsprocedure in. Op 4 april 2025 bracht de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, de mededeling bedoeld in artikel 11/3 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ter kennis van de verzoekende partijen. De verzoekende partijen vroegen niet om te worden gehoord. Kamervoorzitter Geert Debersaques stelde het vermoeden van afstand van geding vast op grond van artikel 17, paragraaf 10, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Over de rechtsplegingsvergoeding: de verwerende partij vorderde in een vereffeningsnota van 8 april 2025 een bedrag van 924 euro. De verzoekende partijen vroegen in een nota van 18 april 2025 om vast te stellen dat geen rechtsplegingsvergoeding verschuldigd was, dan wel subsidiair het bedrag te beperken tot 770 euro. De Raad kende de verwerende partij als in het gelijk gestelde partij een rechtsplegingsvergoeding toe, maar herleidde het bedrag tot het geïndexeerde basisbedrag van 770 euro. De reden was dat de versnelde afdoening via artikel 11/3 was toegepast, waardoor overeenkomstig artikel 67, paragraaf 2, derde lid, van het besluit van de Regent geen verhoging van het basisbedrag verschuldigd was. De verzoekende partijen werden elk voor de helft verwezen in de kosten: een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro. Het te veel betaalde bedrag aan rolrechten en bijdrage werd teruggestort.
Pourquoi c'est important ?
Dit arrest illustreert twee procedurele mechanismen. Ten eerste: na de verwerping van een UDN-vordering loopt er een fatale termijn van dertig dagen na kennisgeving waarbinnen de verzoekende partij een verzoek tot voortzetting van de vernietigingsprocedure moet indienen — doet zij dat niet, dan wordt het vermoeden van afstand van geding toegepast en vervalt het beroep. Ten tweede: wanneer de zaak wordt afgedaan via de versnelde procedure van artikel 11/3 van het besluit van de Regent, kan de in het gelijk gestelde partij geen verhoging van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding verkrijgen.
La leçon
Na de verwerping van je UDN-vordering heb je dertig dagen na kennisgeving van het arrest om een verzoek tot voortzetting van je vernietigingsprocedure in te dienen. Mis je die termijn, dan wordt je beroep geacht te zijn opgegeven. Bereid je al voor het UDN-arrest voor op de vraag of je de vernietigingsprocedure wilt voortzetten.
Posez-vous la question
Als mijn UDN-vordering is verworpen, heb ik dan tijdig — binnen dertig dagen na kennisgeving — een verzoek tot voortzetting van mijn vernietigingsprocedure ingediend?
À propos de cette base de données
Le Conseil d'État (Raad van State) est la plus haute juridiction administrative de Belgique. En matière de marchés publics — de l'attribution d'un contrat à l'exclusion d'un soumissionnaire — le Conseil d'État tranche en dernier ressort. Les arrêts de cette base de données sont résumés par TenderWolf en langage clair, avec des leçons pratiques pour les soumissionnaires et les pouvoirs adjudicateurs. Voir tous les arrêts →