Rejet Chambre néerlandophone

Een vordering bij uiterst dringende noodzakelijkheid vereist minstens één ernstig middel — feitelijke grieven zonder verwijzing naar een geschonden rechtsregel volstaan niet

Arrêt nr. 263484 · 2 juin 2025 · XIVe kamer

De Raad van State verwerpt de vordering van een Duitse GmbH tegen de gunning van een opdracht voor containers met chips voor de regio IMOG als niet-ontvankelijk, omdat het verzoekschrift geen ernstig middel bevatte: de verzoekende partij klaagde over een 'gebrekkige' en 'niet-transparante' beoordeling en over 'misbruik van discretionaire bevoegdheid', maar gaf nergens aan welke concrete rechtsregel was geschonden en hoe — en het komt niet aan het auditoraat of de Raad van State toe om in de plaats van de verzoekende partij het middel te formuleren.

Que s'est-il passé ?

IMOG, een opdrachthoudende vereniging in Zuid-West-Vlaanderen, schreef via openbare procedure een overheidsopdracht uit voor de levering en verdeling van containers met chips voor de restafvalophaling in elf gemeenten (bestek 2025/005). De opdracht was opgedeeld in vijf percelen: containers van 25, 40, 120 en 140 liter en een perceel voor chips, uitzetten en mailing. De totale looptijd bedroeg 48 maanden en de maximumwaarde werd begroot op 4.815.500 euro. De opdracht werd Europees en nationaal bekendgemaakt. De gunning gebeurde op basis van de beste prijs-kwaliteitsverhouding met als criteria prijs (50 punten), technische kwaliteit (40) en leveringsvoorwaarden (10) voor de percelen 1 tot 4. Vrije varianten waren voor de percelen 1 en 2 toegelaten. De uiterste indieningstermijn was 25 maart 2025 om 11u. Voor perceel 1 (25 liter) diende de verzoekende partij — een Duitse GmbH — een offerte in, evenals inschrijver S. (die ook een variante indiende met korting bij samenvoeging van de percelen 1, 2 en 5). Voor perceel 2 (40 liter) diende de verzoeker een basisofferte en een variante '45 liter trolley' in; die variante werd onregelmatig verklaard omdat de container niet afsluitbaar was met een slot. Op 2 april 2025 werd het verslag van nazicht opgesteld. Voor perceel 1 behaalden alle drie de offertes gelijke scores op technische kwaliteit (40/40) en leveringsvoorwaarden (10/10); het prijsverschil gaf de doorslag: de variante van S. scoorde 50/50, de basisofferte van S. 46,42/50 en de offerte van de verzoeker 44,76/50. Voor perceel 2 scoorde de verzoeker het hoogst op prijs (50/50 tegenover 31,53/50 voor S.), maar aanzienlijk lager op technische kwaliteit (20/40 tegenover 39/40) en leveringsvoorwaarden (5/10 tegenover 10/10). Op 24 april 2025 besliste de raad van bestuur van IMOG de percelen 1 en 2 te gunnen aan S. De kennisgeving volgde op 25 april 2025. A.K., beherend vennoot en CEO van de Duitse GmbH, diende op 7 mei 2025 persoonlijk — zonder advocaat — een verzoekschrift in tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Bij beschikking van 9 mei 2025 werd de procedurekalender vastgesteld. De terechtzitting vond plaats op 28 mei 2025. Staatsraad Kaat Leus bracht als waarnemend voorzitter verslag uit en auditeur Frederick Ongena gaf een met het arrest eensluidend advies. De verwerende partij wierp drie procedurele excepties op: het ontbreken van statuten, de niet-vermelding van het KBO-nummer en de niet-vermelding van het Duitse handelsregisternummer. De Raad verwierp alle drie. Artikel 3bis van het Regentsbesluit — dat de niet-inschrijving op de rol voorschrijft bij ontbreken van statuten — was door artikel 8, paragraaf 1, van het koninklijk besluit van 19 november 2024 niet van toepassing gemaakt op de UDN-procedure. Het Verslag aan de Koning verklaarde uitdrukkelijk dat dergelijke bepalingen 'niet zomaar kunnen worden toegepast op de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid'. Over de KBO-vermelding: het bleek niet dat de Duitse GmbH KBO-plichtig was. Over het handelsregisternummer: IMOG kende dit uit het administratief dossier. Over de rechtsmacht: in zoverre de verzoeker de Raad vroeg om IMOG 'te verplichten de beoordeling te herhalen en het advies van de Raad in acht te nemen', viel dit buiten de rechtsmacht. In zoverre het verzoekschrift beoogde de schorsing te bekomen op grond van artikel 15 van de wet van 17 juni 2013, was het ontvankelijk. Over het ernstig middel: artikel 4, paragraaf 1, eerste lid, 6°, van het koninklijk besluit van 19 november 2024 vereist dat de vordering minstens één ernstig middel bevat — de vermelding van de geschonden geachte rechtsregel en de wijze waarop die regel concreet is overtreden. De verzoeker klaagde over een 'gebrekkige' en 'niet-transparante' beoordeling en over 'misbruik van discretionaire bevoegdheid', maar gaf nergens aan welke specifieke rechtsregel of bestekbepaling was geschonden en hoe. Ter terechtzitting bracht hij bijkomende feitelijke elementen aan — waaronder een demonstratie met een containermodel — maar een mondelinge toelichting ter zitting kon de gebreken in het verzoekschrift niet meer rechtzetten. De Raad merkte op dat de feitelijke grieven in verband zouden kunnen worden gebracht met diverse rechtsregels — de motiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel, bepalingen van de Wet Overheidsopdrachten — maar het kwam niet aan het auditoraat of de Raad toe om in de plaats van de verzoekende partij het middel te redigeren. De vordering werd als niet-ontvankelijk verworpen. De kosten — rolrecht 200 euro, bijdrage 26 euro en rechtsplegingsvergoeding 770 euro — kwamen ten laste van de verzoekende partij.

Pourquoi c'est important ?

Dit arrest verduidelijkt twee punten. Ten eerste: een vordering bij uiterst dringende noodzakelijkheid in overheidsopdrachten moet minstens één ernstig middel bevatten, ook wanneer de verzoeker een buitenlandse onderneming is die zonder advocaat procedeert. Hoewel de Raad soepel omgaat met procedurele ontvankelijkheidsvereisten — zoals het voorleggen van statuten — is er geen soepelheid wat de inhoudelijke eis van het ernstig middel betreft. Ten tweede: het arrest bevestigt dat het koninklijk besluit van 19 november 2024 de sanctie van niet-inschrijving op de rol bij ontbreken van statuten bewust niet van toepassing heeft gemaakt op de UDN-procedure, omwille van de daadwerkelijke rechtsbescherming die de wet van 17 juni 2013 beoogt.

La leçon

Als je een gunningsbeslissing wilt aanvechten bij uiterst dringende noodzakelijkheid, volstaat het niet om te stellen dat de beoordeling 'gebrekkig', 'niet-transparant' of 'fout' was. Je moet in je verzoekschrift uitdrukkelijk aangeven welke rechtsregel of welk rechtsbeginsel is geschonden — bijvoorbeeld de motiveringsplicht, het gelijkheidsbeginsel of een specifieke bestekbepaling — en concreet uitleggen hoe die regel is overtreden. De Raad van State zal niet in jouw plaats zoeken naar de juridische grondslag van je grieven.

Posez-vous la question

Bevat mijn verzoekschrift voor elke grief niet alleen de feitelijke klacht, maar ook de vermelding van de concrete rechtsregel die ik geschonden acht en een uitleg hoe die regel in dit geval is overtreden?

À propos de cette base de données

Le Conseil d'État (Raad van State) est la plus haute juridiction administrative de Belgique. En matière de marchés publics — de l'attribution d'un contrat à l'exclusion d'un soumissionnaire — le Conseil d'État tranche en dernier ressort. Les arrêts de cette base de données sont résumés par TenderWolf en langage clair, avec des leçons pratiques pour les soumissionnaires et les pouvoirs adjudicateurs. Voir tous les arrêts →