Verwerping Nederlandstalig college

Verwerping UDN-vordering tegen onregelmatigverklaring offerte raamovereenkomst oeverwerken Weerbare Westhoek — prijsverantwoording terecht niet aanvaard wegens ontbreken AKW-toeslag op studiedeel, niet-onderbouwde eenheidsprijzen en post factum-verantwoording — verwaarloosbare posten correct afgebakend via grenswaarde van 0,25%

Arrest nr. 262149 · 28 januari 2025 · XIVe kamer

De Raad van State verwierp de UDN-vordering van TM B.-G.D. tegen de beslissing van de Vlaamse Waterweg om hun offerte voor de raamovereenkomst 'Weerbare Westhoek – Oeverwerken' (30 miljoen euro) substantieel onregelmatig te verklaren, omdat de verwerende partij haar beoordelingsruimte bij het prijsonderzoek niet te buiten ging: de grenswaarde van 0,25% voor verwaarloosbare posten was zorgvuldig bepaald, de motieven voor het verwerpen van de prijsverantwoording (ontbreken AKW-toeslag op het studiedeel, niet-onderbouwde eenheidsprijzen) waren draagkrachtig, en argumenten die niet in de eigenlijke prijsverantwoording stonden waren post factum-verantwoordingen waarmee de aanbesteder geen rekening hoefde te houden.

Wat gebeurde er?

De Vlaamse Waterweg schreef via een openbare procedure een raamovereenkomst uit voor oeverwerken in de Westhoek ('Weerbare Westhoek'), met een maximale waarde van 30 miljoen euro en een looptijd van vier jaar. Vijf inschrijvers dienden een offerte in. De gunningscriteria waren: offertebedrag (60 punten), plan van aanpak (25 punten) en voorgesteld team (15 punten). De Algemene Technische Ondersteuning (ATO) bracht een prijsadvies uit en identificeerde schijnbaar abnormale eenheidsprijzen bij drie inschrijvers. Normaal hanteert ATO een grenswaarde van 1% individueel aandeel, maar vanwege het grote aantal posten en het beperkte aantal posten boven 1% werd de grens verlaagd naar 0,25%, waardoor circa 74,6% van het totale offertebedrag werd onderzocht. Drie inschrijvers, waaronder TM B.-G.D. (de verzoekende partijen), werden om prijsverantwoording gevraagd voor 16 specifieke posten. De prijsverantwoording van TM B.-G.D. werd niet aanvaard op vier gronden: (1) het ontbreken van een AKW-toeslag (algemene kosten, winst en risico) op het volledige studiedeel van de opdracht (posten 8 t.e.m. 142); (2) de zeer lage niet-onderbouwde eenheidsprijs voor zandhoudende grond (post 286); (3) het ontbreken van cijfermatige onderbouwing voor de onderaannemingskosten bij gietasfalt (post 352); (4) het ontbreken van pontonkosten bij aan- en afvoer (post 447). De offerte werd substantieel onregelmatig verklaard. De opdracht werd gegund aan TM A.D.-A.R. voor 13.088.564 euro excl. btw. De verzoekende partijen voerden drie grieven aan. Eerste grief: meer posten werden als abnormaal beschouwd dan waarvoor zij bevraagd waren (de studieposten 9-124 en 126-142 waren niet bevraagd maar werden uiteindelijk als abnormaal beschouwd). Tweede grief: de verwerende partij had nagelaten het verwaarloosbaar karakter van de bevraagde posten vast te stellen — posten 286, 352 en 447 hadden volgens de verzoekende partijen slechts een aandeel van respectievelijk 0,055%, 0,068% en 0,173% in hun totaalprijs. Derde grief: de motieven voor het verwerpen van de prijsverantwoording deugden niet. De Raad oordeelde over de verwaarloosbare posten dat de verwerende partij een zorgvuldig mathematisch criterium hanteerde (grenswaarde 0,25% op basis van de gemiddelde inschrijvingsprijs afgezet tegen de gemiddelde totaalprijs van alle offertes — niet op basis van de eigen offerteprijs zoals de verzoekende partijen aannamen). De posten 8, 125, 286, 352 en 447 overschreden deze drempel en waren terecht als niet-verwaarloosbaar beschouwd. Over de inhoudelijke motieven oordeelde de Raad dat de verzoekende partijen voor post 352 (gietasfalt) in hun verzoekschrift zelfs nalaten om het verwerpingsmotief te bekritiseren, wat op zich al de onregelmatigverklaring kon dragen. Voor post 286 (zandhoudende grond) had de prijsverantwoording slechts een beknopte uitsplitsing gegeven zonder concreet aan te geven welk voordeel het eigen zanddepot opleverde — de uitgebreidere toelichting in het verzoekschrift was een post factum-verantwoording waarmee de aanbesteder geen rekening hoefde te houden. De overheid was evenmin verplicht de inschrijver bijkomend te bevragen (art. 36, §2, zesde lid KB is een mogelijkheid, geen verplichting). Het enig middel was niet ernstig. Kosten ten laste van de verzoekende partijen (rolrecht 200 EUR, bijdrage 24 EUR, RPV 770 EUR aan verwerende partij).

Waarom doet dit ertoe?

Dit arrest is een belangrijk referentiepunt voor het prijsonderzoek bij overheidsopdrachten. Het verduidelijkt meerdere principes. Ten eerste: de aanbestedende overheid beschikt over een aanzienlijke beoordelingsruimte bij het bepalen van het verwaarloosbaar karakter van posten — noch de wet, noch het KB definieert het begrip of legt specifieke criteria op. Een mathematisch criterium (hier: 0,25% van de gemiddelde totaalprijs) is aanvaardbaar. Ten tweede: de berekeningsbasis voor verwaarlosbaarheid is de gemiddelde inschrijvingsprijs van alle inschrijvers, niet de eigen offerteprijs. Ten derde: een inschrijver die om prijsverantwoording wordt gevraagd draagt de bewijslast en moet concreet en onderbouwd antwoorden — vaagheden en algemeenheden volstaan niet. Ten vierde: argumenten die niet in de eigenlijke prijsverantwoording staan maar pas in het verzoekschrift worden aangevoerd, zijn post factum-verantwoordingen waarmee de overheid geen rekening kon of moest houden. Ten vijfde: de mogelijkheid tot bijkomende bevraging (art. 36, §2, zesde lid) is geen verplichting.

De les

Als aanbestedende overheid: stel een duidelijk en zorgvuldig mathematisch criterium op voor het bepalen van verwaarloosbare posten, gebruik daarbij de gemiddelde prijzen van alle inschrijvers als berekeningsbasis, en documenteer dit in het administratief dossier. Als inschrijver: neem een prijsverantwoording uiterst serieus — de bewijslast ligt bij u. Geef concrete, cijfermatig onderbouwde verklaringen voor schijnbaar abnormale prijzen. Vermeld expliciet alle bijzondere omstandigheden (zoals beschikbaarheid van materiaal uit eigen depot) in de prijsverantwoording zelf, niet pas later in een juridische procedure. Laat geen enkel verwerpingsmotief onbeantwoord — als u één motief niet bekritiseert dat op zich de onregelmatigheid kan dragen, heeft u geen belang meer bij uw overige grieven.

Stel jezelf de vraag

Als aanbestedende overheid: hebt u een transparant criterium vastgesteld voor het onderscheid tussen verwaarloosbare en niet-verwaarloosbare posten? Is de berekeningsbasis objectief en gelijk voor alle inschrijvers? Als inschrijver: hebt u in uw prijsverantwoording alle schijnbaar abnormale prijzen concreet en cijfermatig onderbouwd? Hebt u bijzondere omstandigheden die uw lage prijzen verklaren expliciet vermeld? Bent u tijdens de onderhandelingen of bevraging ingegaan op alle punten die de overheid heeft aangekaart?

Over deze databank

De Raad van State is het hoogste administratieve rechtscollege in België. Bij geschillen over overheidsopdrachten — van de gunning van een contract tot de uitsluiting van een inschrijver — is het de Raad van State die in laatste instantie oordeelt. De arresten in deze databank zijn door TenderWolf samengevat in begrijpelijke taal, met concrete lessen voor inschrijvers en aanbestedende overheden. Bekijk alle arresten →