Suspension Chambre néerlandophone

Verbonden ondernemingen weren zonder ze te horen? Dat kan niet

Arrêt nr. 262745 · 25 mars 2025 · XIVe kamer

De Raad van State schorst de wering van offertes van twee zusterondernemingen wegens vermeende mededingingsverstoring, omdat de aanbestedende overheid hen niet eerst de kans heeft gegeven om aan te tonen dat hun offertes onafhankelijk tot stand zijn gekomen.

Que s'est-il passé ?

De Vlaamse Gemeenschap (Agentschap Facilitair Bedrijf) schreef via een Europese openbare procedure een raamovereenkomst uit voor landmeetkundige prestaties, verdeeld over drie geografische percelen (West, Oost en Centrum). Per perceel zou de raamovereenkomst worden gegund aan maximaal drie deelnemers, met toewijzing via cascade of minicompetitie. Zes ondernemingen dienden een offerte in, waaronder BV T. en haar zusteronderneming SPC — twee dochters van dezelfde moedermaatschappij met overlappende bestuurders. De aanbestedende overheid stelde tijdens het regelmatigheidsonderzoek drie aanwijzingen vast dat de offertes niet onafhankelijk tot stand waren gekomen: (1) beide inschrijvers hadden als enigen nagelaten post 10 (rush-percentage) in te vullen, (2) de ingediende case studies voor het subgunningscriterium interieuropmetingen waren nagenoeg identiek en bevatten identieke fouten, en (3) twee personen werden in beide offertes als effectief in te zetten teamleden opgevoerd. Op basis van deze aanwijzingen concludeerde de overheid dat de offertes de normale mededingingsvoorwaarden konden vertekenen en weerde ze als substantieel onregelmatig op grond van artikel 5, § 2, 1°, van de wet overheidsopdrachten. BV T. voerde aan dat ze nooit de kans had gekregen om de onafhankelijkheid van haar offerte aan te tonen. De verwerende partij stelde dat artikel 5 (wering wegens mededingingsverstoring in de lopende procedure) en artikel 69 (facultatieve uitsluiting wegens eerdere mededingingsvervalsing) twee onderscheiden situaties betreffen, dat alleen bij artikel 69 een hoorrecht en corrigerende maatregelen vereist zijn, en dat de hoorplicht als beginsel van behoorlijk bestuur niet speelt bij het onregelmatig verklaren van een offerte. De Raad verwierp dit betoog. Het onderscheid tussen artikel 5 en artikel 69 werd als kunstmatig bestempeld: beide bepalingen zijn onderling gekoppeld en verwijzen naar elkaar. Artikel 69, eerste lid, 4°, viseert niet alleen eerdere overeenkomsten maar ook afspraken gericht op vervalsing van de mededinging in de zin van artikel 5 — de parlementaire voorbereiding bevestigt dat de wetgever uitdrukkelijk heeft gekozen om dit specifieke geval te linken aan de uitsluitingsgrond. Bovendien zou het onderscheid naar tijdstip (verleden versus lopende procedure) op gespannen voet staan met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel: er is geen pertinente reden om in het ene geval wel en in het andere geval niet te horen. Wie een inschrijver weert wegens mededingingsvertekenend gedrag, neemt een ernstige sanctiemaatregel die raakt aan de integriteit van de onderneming — en zo'n maatregel kan niet worden genomen zonder de betrokkene eerst te horen en de mogelijkheid te bieden corrigerende maatregelen voor te stellen, zoals het Hof van Justitie vereist. Het argument dat de inschrijver zijn rechten kan uitoefenen in een procedure voor de Raad van State volstaat evenmin: het hoorrecht moet worden geëerbiedigd vóór de beslissing, niet pas daarna.

Pourquoi c'est important ?

Dit arrest doorprikt het kunstmatige onderscheid tussen de wering van offertes op grond van artikel 5 (mededingingsverstoring in de lopende procedure) en de uitsluiting op grond van artikel 69 (eerdere mededingingsvervalsing). Beide bepalingen zijn onderling gekoppeld en viseren in wezen hetzelfde gedrag. Het hoorrecht en de mogelijkheid tot corrigerende maatregelen gelden daarom ook wanneer de aanbestedende overheid de wering formeel als een regelmatigheidskwestie behandelt. Het arrest bevestigt bovendien dat een ex post procedure bij de Raad van State het hoorrecht niet kan vervangen: de inschrijver moet vóór de beslissing de kans krijgen zich te verweren.

La leçon

Als je als verbonden onderneming wordt geweerd wegens vermeende mededingingsverstoring zonder dat je vooraf de kans hebt gekregen om je standpunt toe te lichten of aan te tonen dat je offerte onafhankelijk tot stand is gekomen, heb je een sterk middel. Het hoorrecht geldt ook wanneer de overheid de wering formeel baseert op artikel 5 in plaats van op de uitsluitingsgronden van artikel 69.

Posez-vous la question

Heeft de aanbestedende overheid mij gehoord vóór ze besliste om mijn offerte te weren wegens verbondenheid met een andere inschrijver — en zo nee, heb ik de kans gemist om aan te tonen dat mijn offerte onafhankelijk tot stand kwam?

À propos de cette base de données

Le Conseil d'État (Raad van State) est la plus haute juridiction administrative de Belgique. En matière de marchés publics — de l'attribution d'un contrat à l'exclusion d'un soumissionnaire — le Conseil d'État tranche en dernier ressort. Les arrêts de cette base de données sont résumés par TenderWolf en langage clair, avec des leçons pratiques pour les soumissionnaires et les pouvoirs adjudicateurs. Voir tous les arrêts →