Afstand van geding vóór de terechtzitting leidt niet automatisch tot verlaging van de rechtsplegingsvergoeding — de criteria voor afwijking van het basisbedrag zijn limitatief
De Raad van State verleent akte van de afstand van geding in een vordering tegen de niet-selectie voor een raamovereenkomst voor cateringdiensten in crematoria, en kent het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding toe aan de verwerende partij — omdat het tijdstip van de afstand geen wettelijk criterium is om af te wijken van het basisbedrag en de verwerende partij al een inhoudelijke nota had ingediend.
Que s'est-il passé ?
Het intergemeentelijk samenwerkingsverband Pontes nam op 22 mei 2025 een beslissing tot niet-plaatsing van een overheidsopdracht voor diensten: een raamovereenkomst met meerdere deelnemers voor de levering van cateringdiensten in de crematoria van Antwerpen en Turnhout. NV G. werd niet geselecteerd. De Raad herkwalificeerde het voorwerp van de vordering: hoewel de verzoekende partij sprak van 'uitsluiting en gunning', ging het in werkelijkheid om een niet-plaatsingsbeslissing met daaraan gekoppeld een niet-selectiebeslissing. De verwerende partij had dit ook zo begrepen. NV G. vorderde op 2 juni 2025 de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Bij beschikking van 4 juni 2025 werd de procedurekalender vastgesteld en de zaak bepaald op de terechtzitting van 18 juni 2025. De verwerende partij diende een nota en een administratief dossier in die op alle punten van de vordering ingingen. Per brief van 13 juni 2025 deed de verzoekende partij afstand van het geding. Over de kosten rees een geschil. De verzoekende partij vroeg de rechtsplegingsvergoeding te beperken tot het minimumbedrag van 140 euro, omdat de afstand vóór de terechtzitting was gedaan. De verwerende partij vorderde het basisbedrag van 770 euro. De Raad verwierp het verzoek tot verlaging. Artikel 30/1, §2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State somt de criteria voor afwijking van het basisbedrag limitatief op: de financiële draagkracht van de in het ongelijk gestelde partij, de complexiteit van de zaak, en de kennelijk onredelijke aard van de situatie. Het tijdstip van de afstand valt daar niet onder. De verwerende partij had al een inhoudelijke nota ingediend en kon aanspraak maken op het basisbedrag. De kosten — een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 26 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro — werden ten laste gelegd van de verzoekende partij.
Pourquoi c'est important ?
Dit arrest verduidelijkt dat de Raad van State de rechtsplegingsvergoeding bij afstand van geding niet automatisch verlaagt tot het minimumbedrag, ook al wordt de afstand vóór de terechtzitting gedaan. De drie criteria voor afwijking van het basisbedrag zijn limitatief opgesomd in de wet: financiële draagkracht, complexiteit en kennelijk onredelijke aard. Het tijdstip van de afstand is geen wettelijk criterium.
La leçon
Als je afstand doet van het geding, reken er niet op dat de rechtsplegingsvergoeding automatisch wordt verlaagd omdat je dat vóór de zitting deed. De Raad wijkt alleen af van het basisbedrag op grond van drie limitatieve wettelijke criteria — en het tijdstip van de afstand is daar geen van.
Posez-vous la question
Heb ik bij mijn beslissing om een vordering in te stellen rekening gehouden met het risico dat ik bij afstand het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding verschuldigd zal zijn — ongeacht het tijdstip van de afstand?
À propos de cette base de données
Le Conseil d'État (Raad van State) est la plus haute juridiction administrative de Belgique. En matière de marchés publics — de l'attribution d'un contrat à l'exclusion d'un soumissionnaire — le Conseil d'État tranche en dernier ressort. Les arrêts de cette base de données sont résumés par TenderWolf en langage clair, avec des leçons pratiques pour les soumissionnaires et les pouvoirs adjudicateurs. Voir tous les arrêts →