Vernietiging Nederlandstalig college

Een 'faciliterende' overeenkomst met Rotterdam blijkt een verkapte overheidsopdracht — geen factuur ≠ geen procurement

Arrest nr. 243479 · 24 januari 2019 · XIIe kamer

Het Havenbedrijf Antwerpen sluit rechtstreeks een 'bergingsovereenkomst' met Havenbedrijf Rotterdam zonder aanbestedingsprocedure, in de overtuiging dat het slechts 'faciliteert' voor zijn baggeraannemers, maar de Raad van State oordeelt na bijna zes jaar procedure dat de overeenkomst — gecombineerd met het bijhorende EVOA-contract en een borg van 1,2 miljoen euro — wél een overheidsopdracht voor diensten is en vernietigt de goedkeuring.

Wat gebeurde er?

In het kader van de aanbesteding 'Verdiepingsbaggerwerken Antwerpse dokkencomplex Rechteroever 4de Havendok' (bestek B10133) moest het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen circa 85.000 m³ verontreinigde baggerspecie kwijt — om steiger 281 in het 4de Havendok bereikbaar te maken voor zeeschepen met 14 meter diepgang. In het bestek werd bepaald dat de gebaggerde specie eigendom werd van de aannemer, maar het Havenbedrijf Antwerpen wilde een aantrekkelijke bestemming aanbieden: het Nederlandse depot 'De Slufter', uitgebaat door de NV Havenbedrijf Rotterdam. Daartoe sloot het Havenbedrijf Antwerpen op 25 juni 2013 rechtstreeks een 'bergingsovereenkomst' met Rotterdam (door Rotterdam ondertekend op 31 mei 2013), zonder enige aanbestedingsprocedure. Bij Terechtwijzend Bericht nr. 1 van 19 juli 2013 werd die bergingsovereenkomst als bijlage aan het bestek toegevoegd, met de bepaling dat als de aannemer ervan gebruikmaakte, hij zich verbond tot integrale naleving — inclusief het sluiten van een betalingsovereenkomst met Rotterdam, naleving van acceptatieprotocollen en algemene leveringsvoorwaarden, en vrijwaring van het Havenbedrijf Antwerpen voor alle schade. Het Havenbedrijf Antwerpen ondertekende ook een EVOA-contract met Rotterdam (april/mei 2013) voor het grensoverschrijdende afvaltransport, diende een kennisgeving in bij OVAM, kreeg toestemming op 5 augustus 2013, en stelde een KBC-borg van 1,2 miljoen euro ten voordele van OVAM. Dit alles om de aannemer een aantrekkelijke optie aan te bieden — die volgens het Havenbedrijf Antwerpen zou leiden tot 'een interessante prijszetting'. De NV Silvamo, een geïnteresseerde derde uit de afval- en bergingssector, kreeg geen kans om voor die bergingsopdracht te bieden. Op 16 september 2013 stelde Silvamo annulatieberoep in tegen de beslissing van het Havenbedrijf Antwerpen tot goedkeuring en sluiting van de bergingsovereenkomst. De zaak liep parallel met andere procedures: de baggerwerken werden gegund aan de bv Martens en van Oord op 14 oktober 2013, twee schorsingsvorderingen door concurrerende aannemers werden verworpen (arrest nr. 225.728 van 5 december 2013 en arrest nr. 224.496 van 23 augustus 2013), maar het hof van beroep te Antwerpen verklaarde op 9 april 2015 de bergingsovereenkomst onverbindend voor de nog uit te voeren verbintenissen — beslissing die kracht van gewijsde verkreeg na verwerping van het cassatieberoep door het Hof van Cassatie op 28 april 2017. Bij arrest nr. 232.753 van 29 oktober 2015 vernietigde de Raad van State de OVAM-toelating, en bij arrest nr. 238.248 van 18 mei 2017 vernietigde de Raad van State zelfs de gunningsbeslissing van 14 oktober 2013 wegens gebrek aan materiële draagkracht (de offerte steunde op de inmiddels vernietigde toelating). Op 17 mei 2018 heropende de XIIe kamer (arrest nr. 241.510) het debat in de Silvamo-zaak om de toepasselijkheid van de overheidsopdrachtenregelgeving op de bergingsovereenkomst volledig te beoordelen. Het Havenbedrijf Antwerpen voerde aan dat de bergingsovereenkomst geen overheidsopdracht was — het verricht zelf geen prestaties, het betaalt zelf niet, de aannemer is vrij om al dan niet 'De Slufter' te gebruiken, het Havenbedrijf Antwerpen heeft slechts een 'faciliterende' rol. Subsidiair vroeg het een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie. De Raad ziet door de structuur heen. Eerst de ontvankelijkheid: de onverbindendverklaring door de burgerlijke rechter ontneemt Silvamo niet haar belang — die uitspraak werkt slechts tussen partijen, terwijl een vernietiging door de Raad van State erga omnes en met terugwerkende kracht werkt. Dan de kern: artikel 5 van de wet van 24 december 1993 vereist een overeenkomst onder bezwarende titel tussen een dienstverlener en een aanbestedende overheid. De Raad oordeelt dat de bergingsovereenkomst samen met het EVOA-contract aan die definitie voldoet. Drie pijlers. Eén: er is wederzijdsheid. Rotterdam verbindt zich tot ontvangst en verwerking van baggerspecie tegen een prijs; het Havenbedrijf Antwerpen verbindt zich tot opname van een betalingsovereenkomstclausule in de baggerovereenkomst zodat Rotterdam zijn prijs ontvangt — én tot vrijwaring, terugnameverplichtingen onder het EVOA-contract, een borg van 1,2 miljoen euro. Twee: het Havenbedrijf Antwerpen krijgt wel degelijk een economisch voordeel. In het arrest nr. 240.797 van 22 februari 2018 (over een latere baggerwerkenopdracht 'Hansadok' op basis van bestek B10246) had de aanbestedende overheid zelf erkend: 'Het was de aangehouden overtuiging van het GHA dat door het toelaten van deze mogelijkheid een interessante prijszetting mogelijk was.' De Slufter-piste leverde lagere baggerprijzen op — een substantieel financieel voordeel. Drie: het Havenbedrijf Antwerpen verdwijnt niet uit de overeenkomst zodra de baggeraannemer zich juridisch met Rotterdam verbindt. De vrijwaringsclausules in TWB1 en TWB2, het EVOA-contract en de KBC-borg houden het Havenbedrijf Antwerpen contractueel betrokken. De Raad concludeert: in wezen is het het Havenbedrijf Antwerpen dat de Slufter-diensten aan Rotterdam betaalt, via de baggeraannemer. De aannemer is 'eerder de uitvoerder van de buiten hem tot stand gekomen bergingsovereenkomst dan een autonome dienstverlener'. Geen prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie — die werd te laat (in de derde laatste memorie) en uit een verkeerde hypothese (dat het Havenbedrijf Antwerpen niet de echte begunstigde was) gesteld. Het middelonderdeel is gegrond. Vernietiging van de beslissing van het Havenbedrijf Antwerpen tot goedkeuring en sluiting van de bergingsovereenkomst. Verweerder draagt 175 euro kosten, tussenkomende partij Rotterdam 125 euro. Geen rechtsplegingsvergoeding, want het annulatieberoep dateert van vóór 2 april 2014 (artikel 9 KB 28/03/2014). De zitting werd voorgezeten door kamervoorzitter Dierk Verbiest, met staatsraden Pierre Barra en Patricia De Somere; eerste auditeur Jozef Stevens had een andersluidend advies gegeven (uitzonderlijk: de Raad volgde het advies niet).

Waarom doet dit ertoe?

Dit arrest heeft brede impact op alle constructies waarbij een aanbestedende overheid 'faciliteert' tussen haar opdrachtnemer en een derde. De gangbare verdedigingsstrategie — 'wij betalen niet, dus geen overheidsopdracht' — wordt hier ontmaskerd. Voor de kwalificatie als overheidsopdracht voor diensten kijkt de Raad door de juridische vorm heen naar de feitelijke en economische werkelijkheid. Drie indicatoren wegen zwaar: (1) een wederzijdse engagement-structuur (ook al loopt de geldstroom via een derde); (2) een aantoonbaar economisch voordeel voor de aanbesteder (lagere prijzen, sluitende uitvoeringsketen, risicoafdekking); en (3) een blijvende contractuele betrokkenheid (vrijwaringsclausules, borgstellingen, terugnameverplichtingen). Wie als aanbestedende overheid in raamovereenkomsten, kaderakkoorden of 'faciliterende' partneraankopen werkt en ervan uitgaat dat een aanbesteding niet nodig is omdat de uiteindelijke betaling door een derde gebeurt, loopt een groot risico. Voor concurrenten die uit zo'n constructie worden uitgesloten — typisch nichespelers zoals Silvamo — biedt dit arrest een sterk precedent. Procedureel ook belangrijk: een onverbindendverklaring door de burgerlijke rechter ontneemt geen belang om alsnog vernietiging bij de Raad van State te bekomen, want het gezag van gewijsde van een burgerlijk vonnis werkt enkel tussen partijen, terwijl RvS-vernietiging erga omnes en retroactief werkt. Bovendien: een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie 'subsidiair' aanvoeren in een laatste memorie, terwijl ze in een memorie van wederantwoord al gesteld kon worden, leidt tot afwijzing. En tenslotte: dit is een zeldzaam geval waarin de Raad de andersluidend advies van het auditoraat naast zich neerlegt — een teken dat de XIIe kamer een principiële lijn wilde uitdragen.

De les

Als aanbestedende overheid: ga er niet vanuit dat een directe overeenkomst met een derde geen overheidsopdracht is omdat 'jij niet betaalt'. De Raad kijkt naar (1) wederzijds engagement, (2) economisch voordeel voor jou, en (3) blijvende contractuele betrokkenheid. Vrijwaringsclausules, borgstellingen en EVOA-contracten blijven indicatoren van substantiële betrokkenheid. Als concurrent uitgesloten van een 'faciliterende' constructie: stel zonder aarzelen een annulatieberoep in bij de Raad van State, ook al heeft de burgerlijke rechter de overeenkomst al onverbindend verklaard. Het gezag van gewijsde van een burgerlijk vonnis werkt enkel tussen partijen — een RvS-vernietiging werkt erga omnes en retroactief.

Te onthouden

  • Voor de kwalificatie als overheidsopdracht voor diensten (art. 5 wet 24/12/1993) telt de feitelijke economische realiteit, niet de juridische vorm
  • Een aanbesteder die niet rechtstreeks betaalt kan toch partij zijn bij een overheidsopdracht — als hij economisch voordeel haalt en contractueel betrokken blijft
  • Vrijwaringsclausules, borgstellingen en EVOA-contracten zijn sterke indicatoren van blijvende contractuele betrokkenheid
  • Een onverbindendverklaring door de burgerlijke rechter ontneemt geen belang om bij de Raad van State vernietiging te vragen — de werking is verschillend (inter partes vs. erga omnes)
  • Een vernietiging door de Raad van State werkt erga omnes en in beginsel retroactief
  • Een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie moet tijdig en in de juiste hypothese worden gesteld — anders afgewezen
  • Het auditoraatsadvies bindt de Raad niet (zeldzame andersluidend-beslissing)

Waarop letten

  • Een 'bergingsovereenkomst', 'kaderakkoord' of 'partnerovereenkomst' tussen aanbesteder en derde, gevolgd door verplichte verwijzing in het bestek — typisch verkapt-procurement-scenario
  • Vrijwaringsclausules waarin de aannemer de aanbesteder vrijwaart voor schade tegenover de derde — bewijs dat aanbesteder contractueel betrokken blijft
  • Borgstellingen door de aanbesteder ten voordele van een toezichthouder (zoals OVAM) voor verplichtingen die formeel bij de aannemer liggen
  • Een aanbesteder die expliciet erkent dat de constructie 'lagere prijzen' opleverde — economisch voordeel staat dan vast
  • Een prejudiciële vraag pas in de laatste memorie aanvoeren — wijst op slechte procesvoering en wordt afgewezen

Stel jezelf de vraag

Je sluit als aanbestedende overheid een rechtstreekse overeenkomst met een gespecialiseerde derde (verwerkingsdepot, ontwerper, zorgverlener) met de bedoeling jouw aannemer of klant er gebruik van te laten maken. Geen aanbestedingsprocedure, want 'jij betaalt niet'. Vraag jezelf af: heb ik vrijwaringsclausules opgenomen? Sta ik borg? Krijg ik een meetbaar economisch voordeel (lagere prijzen, betere uitvoering)? Drie keer ja = grote kans dat het toch een overheidsopdracht is en je een aanbesteding had moeten organiseren.

Gerelateerde arresten

Over deze databank

De Raad van State is het hoogste administratieve rechtscollege in België. Bij geschillen over overheidsopdrachten — van de gunning van een contract tot de uitsluiting van een inschrijver — is het de Raad van State die in laatste instantie oordeelt. De arresten in deze databank zijn door TenderWolf samengevat in begrijpelijke taal, met concrete lessen voor inschrijvers en aanbestedende overheden. Bekijk alle arresten →