Wanneer het bestek een ISO-norm voorschrijft als meetmethode en alle metingen consequent boven de maximaal toegelaten grens uitkomen, is de onregelmatigverklaring van de offerte niet onwettig — ook al komen eigen metingen van de inschrijver tot een ander resultaat
De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing van de onregelmatigverklaring van een offerte voor interventiebroeken, omdat het bestek uitdrukkelijk ISO 3801 als meetmethode voorschreef, alle laboratoriummetingen consequent een gewicht boven de maximaal toegelaten grens van 255 g/m² opleverden, en de inschrijver niet aannemelijk maakt dat het verschil tussen de eerste en tweede meting of haar eigen afwijkende metingen de wettigheid van de vaststelling aantasten.
Que s'est-il passé ?
De Belgische Staat (FOD Financiën) schreef een opdracht voor leveringen uit — uniformartikelen voor het personeel van de Belgische douane — via een openbare procedure. De opdracht bestond uit acht loten. Voor Lot 03 (Interventiebroek) bevatte het bestek een minimale eis voor het gewicht van de basisstof: 250 g/m² met een toegelaten afwijking van ± 5 g/m² (dus maximaal 255 g/m²). De meting moest gebeuren volgens ISO 3801. Niet-naleving van deze minimale eis leidde tot nietigheid van de offerte. De verzoekende partij — de NV V., tevens de huidige leverancier van interventiebroeken op basis van een eerdere opdracht met identieke technische eisen — diende een offerte in met bijhorend stofstaal. Het laboratorium van de Douane mat bij een eerste beproevingsverslag een gewicht van circa 269 g/m². Omdat de verzoekende partij de huidige leverancier was en haar eerdere staal wél had voldaan, vroeg de aanbestedende overheid een herweging om vergissingen uit te sluiten. Bij de herweging — drie metingen op verschillende plaatsen — bedroeg het gemiddelde circa 262 g/m². Het labo stelde ook vast dat het oude en het nieuwe stofstaal visueel licht van elkaar verschilden, zodat het niet noodzakelijk om dezelfde stof ging. De aanbestedende overheid verklaarde de offerte substantieel onregelmatig. De verzoekende partij voerde twee middelen aan. In het eerste middel betoogde zij dat het transparantie-, gelijkheids- en proportionaliteitsbeginsel waren geschonden: de wegingsprocedure was niet transparant, er was geen duidelijkheid over de conditionering van de stalen, en haar eigen metingen (gemiddeld 254,2 g/m²) vielen wél binnen de norm. De Raad verwierp dit. Het bestek schreef uitdrukkelijk ISO 3801 voor als meetmethode — een internationale norm die gestandaardiseerde conditionering, spanningsvrije toestand en meerdere metingen voorschrijft. De verzoekende partij wist of moest weten dat deze norm zou worden gehanteerd. Het verschil van 7 g/m² tussen de eerste meting (269 g/m²) en de herweging (262 g/m²) kon worden verklaard door inhomogene kenmerken van het stofstaal en toonde geen gebrek aan objectiviteit aan. Alle laboratoriummetingen — zowel bij de eerste als bij de tweede beproevingsronde — lagen consequent boven de maximaal toegelaten bovengrens van 255 g/m². De eigen metingen van de verzoekende partij, uitgevoerd na de onregelmatigverklaring en zonder vermelding van de gehanteerde methode, konden de wettigheid van de laboratoriummetingen niet aantasten. Wat het proportionaliteitsbeginsel betreft: bij een vastgestelde substantiële onregelmatigheid is de aanbestedende overheid verplicht de offerte nietig te verklaren en beschikt zij over geen beoordelingsruimte. Het tweede middel hernam in essentie het eerste zonder iets toe te voegen en werd eveneens verworpen.
Pourquoi c'est important ?
Dit arrest verduidelijkt de rol van ISO-normen als objectieve meetmethode bij de beoordeling van technische minimale eisen in bestekken. Wanneer het bestek een specifieke ISO-norm voorschrijft, biedt die norm het referentiekader voor conditionering, meetprocedure en reproceerbaarheid. De inschrijver kan zich niet beroepen op een gebrek aan transparantie over de meetmethode wanneer die methode uitdrukkelijk in het bestek staat. Het arrest bevestigt ook dat een verschil tussen opeenvolgende metingen niet automatisch een gebrek aan objectiviteit aantoont — inhomogene kenmerken van het stofstaal kunnen de variatie verklaren. En eigen metingen door de inschrijver, verricht na de onregelmatigverklaring en zonder vermelding van de gehanteerde methode, hebben weinig bewijskracht. (Samenstelling: Kaat Leus, waarnemend voorzitter; Bart Tettelin, griffier. Eensluidend advies van eerste auditeur Alexander Van Steenberge.)
La leçon
Als inschrijver: wanneer het bestek een specifieke ISO-norm voorschrijft als meetmethode voor een minimale eis, moet je ervan uitgaan dat die norm zal worden toegepast — inclusief de conditioneringsvoorschriften en meetprocedures die erin staan. Eigen metingen die tot een ander resultaat leiden, zijn alleen overtuigend als je kunt aantonen dat je precies dezelfde methode hebt gevolgd. Als aanbestedende overheid: het expliciet vermelden van een ISO-norm als meetmethode in het bestek versterkt de objectiviteit en controleerbaarheid van je beoordeling aanzienlijk. En wanneer een eerste meting twijfel oproept — zeker bij een huidige leverancier — is het een teken van zorgvuldigheid om een herweging te laten uitvoeren.
Posez-vous la question
Als ik als inschrijver een minimale technische eis wil aanvechten op basis van eigen metingen: heb ik die metingen verricht volgens exact dezelfde methode als in het bestek voorgeschreven, en kan ik dat aantonen — of baseer ik mij op resultaten die met een andere of onbekende methode zijn verkregen?
À propos de cette base de données
Le Conseil d'État (Raad van State) est la plus haute juridiction administrative de Belgique. En matière de marchés publics — de l'attribution d'un contrat à l'exclusion d'un soumissionnaire — le Conseil d'État tranche en dernier ressort. Les arrêts de cette base de données sont résumés par TenderWolf en langage clair, avec des leçons pratiques pour les soumissionnaires et les pouvoirs adjudicateurs. Voir tous les arrêts →